Ze stapt het grandcafé binnen, kijkt even rond, ziet mij en herkent mij dan. Kordaat stapt zij op mij af en schuift bij mij aan mijn stamtafel. Ik schuif mijn cappuccino aan de kant en ik bereid mij voor op een retirade. Gezien de blik in haar ogen is dat geen verkeerde inschatting.

“Weet u, meneer de columnist, dat ik u een heel vervelende man vind? U doet mij pijn. Eerst die column over schoonmoeders en dan nu weer over Zwarte Piet. Ik vind dat verschrikkelijk! Weet u wel hoeveel vrouwen er een schoonmoeder zijn? U trapt hen op de ziel! Bah!”

Iedereen heeft recht op zijn of haar verontwaardiging of boosheid. Die laat ik bij die ander en dus reageer ik kalm: “Ik denk ongeveer evenveel mensen als er zijn die een schoonmoeder hebben. Om precies te zijn: evenveel. U heeft er zelf ook één gehad, schat ik in.”

Ze is even van haar stuk, dan zegt zij met een verwrongen gezicht: “Ja natuurlijk heb ik er ook één gehad … maar van de doden niks dan goeds, dus daarover hoort u mij niet.”

Ik laat mij niet uit het veld slaan en vervolg: “En wat wilde u kwijt over de zwarte piet column?”

Zij reageert fel: “Weet u wel wat u zegt? U wilt een traditie, onze traditie, van zwarte piet om zeep helpen. Wie geeft u dat recht?!”

Ik begrijp dat ik te maken heb met iemand met gering gevoel voor nuance, dus waarom zou ik daarin niet gewoon in meegaan: “Hoe oud bent u? Tweëenzeventig, schat ik zo.”

Ze bromt iets van: “Ja, volgende week…”

Ik vervolg: “En hoe was het Sinterklaasfeest in uw jeugd?”

Zij vertelt over haar jeugd en dat er bij hen thuis niet genoeg geld was om er een echt feest van te maken: ”Vader speelde voor zwarte piet, een echte boeman! Hij joeg ons de stuipen op het lijf. We kregen met zijn vijven één cadeau en dat was alles. We deden er verder nooit erg veel aan. Toen ik zelf kinderen kreeg, kostte het mij veel moeite om er wat anders van te maken. Het ging niet van harte, maar een cadeautje voor elke kind dat kon net. Eigenlijk deed ik dat uit dwarsigheid over mijn eigen jeugd. Dat was niet goed te praten, maar ik kon het niet over mijn hart verkrijgen. Maar nu met de kleinkinderen doen we het wel goed hoor. En nu wilt u dat onze traditie met zwarte piet vaarwel wordt gezegd. Waarom?”

Ik zwijg even en dan vraag ik haar: “Is het niet een kenmerk van tradities dat ze lang en in dezelfde vorm bestaan. Wat was nu úw traditie en waarom is die dan wél veranderd?”

Zij aarzelt en zegt dan zacht: “Ja maar … ik kan dat de kleinkinderen en de omgeving toch niet aandoen dat wij het zouden doen zoals bij ons vroeger normaal was?”

Ze heeft een uitdrukking op haar gezicht die duidelijk maakt, dat ze beseft wat ze zojuist beweerde en besluit met een: “Toch?”

Ze staat weer op en zegt: “Ik moet weer verder. Ik zal u in de gaten houden. U schrijft af en toe dingen die mij raken en ik vind het niet fijn als het zo persoonlijk voelt.”

Ik groet haar en terwijl ik mijn koffie drink, zie ik haar hoofdschuddend richting de Wip verdwijnen. Zou zij tot inzicht gekomen zijn of loopt zij nog op mij te foeteren? De toekomst zal het leren.

Jelle Ravestein

Jelle Ravestein

Maandagcolumnist | Schrijver | Dichter | Poëziecafé Woordkunst | Mensenslijper | Gespreksleider Themacafé Bibliotheek MM | Aan de andere kant | Business Consultant | Blogger | Spindoctor |

2 Reacties

  1. Aad Rieken
    8 augustus 2016 at 13:19

    Als Piet opeens,
    van kleur verschiet.
    Dan blijft ‘ie toch,
    ”Een Hele Piet!”

  2. Aad Rieken
    8 augustus 2016 at 08:29

    ”Je Zal/Zou Er ‘N Trau(w)ma Bij/Van Krijgen!”