Wat een miezerig boompje. Ik herinner het mij nog als de dag van gisteren. Toch moet het begin jaren zestig geweest zijn. Mijn vader had het bestaan om tot het laatst te wachten. Wat was ik teleurgesteld.

Tegenwoordig staan de (kunst)kerstbomen al op 1 december te pronken in de woonkamer. De meeste mensen kunnen zich een exemplaar veroorloven. In mijn jeugd was het de vraag of men voldoende weekloon had ontvangen om vlak voor de kerst een boom aan te schaffen.

In die tijd werd een boom ter plaatse van de verkoop op een kruis geplaatst. Toen vierden velen de kerst nog als het geboortefeest van Kindeke Jezus. In dat licht bezien, is het best een rare symboliek dat de kerstboom aan het kruis werd genageld.

Maar goed die vader van mij dus. Hij had een drukke betrekking – jobs had men toen nog niet – en hij kwam op kerstavond om vijf uur thuis. Het was al heel donker en koud, ijskoud.

De winkelsluiting was gewoon om zes uur – niks vroeger naar huis – en dus kon hij nog makkelijk een boom kopen. Dat dacht hij althans.

Ik liep aan zijn hand mee door donkere straten. Feestverlichting bestond nog niet.

Wat was het ongenadig koud die avond. Aangekomen bij de winkelier die de bomen verkocht, keken we beiden teleurgesteld naar de laatste drie exemplaren. Twee daarvan waren grotendeels uitgevallen, amper nog een naald te bekennen. “Doe mij die maar”, zei mijn vader wijzend naar een onooglijk boompje van krap een meter hoog met takjes die zo klein waren dat we er bij thuiskomst amper een kaarsje op konden bevestigen. We liepen naar huis en het huilen stond mij nader dan het lachen. Is dat onze boom? We lijken wel armelui. Ik schaamde mij rot en trok mijn ijsmuts diep over mijn hoofd tot vlak boven mijn ogen en keek de hele weg naar huis naar de grond waar de ijzige kou en de sneeuw mijn voeten in rubberen kaplaarzen onderhand gevoelloos maakten.

Thuis aangekomen ben ik eerst bij de kolenhaard gaan zitten om weer op temperatuur te komen. Na een uurtje stond hij er dan: onze boom. Het mocht wat. Ik nam mij voor dat ik later ieder jaar een mooie boom zou kopen, op tijd en steeds mooier.

Toen ik eenmaal getrouwd was, heb ik dat voornemen voor ons gezin omgezet in een jaarlijks terugkerende traditie.

Het is inmiddels heel gewoon in deze tijd, maar voor mij voelt het nog steeds als een genoegdoening tegenover dat miezerige boompje. Een dergelijk gebaar past ons allen ook rond de kerst richting de Voedselbank. Alleen is het dan een genoegdoening richting het armoedespook. Laten we ruimhartig geld en goederen schenken opdat anderen die het minder breed hebben toch een mooie kerst mogen vieren.

Jelle Ravestein

Jelle Ravestein

Jelle Ravestein

Maandagcolumnist | Schrijver | Dichter | Poëziecafé Woordkunst | Mensenslijper | Gespreksleider Themacafé Bibliotheek MM | Aan de andere kant | Business Consultant | Blogger | Spindoctor |

2 Reacties

  1. Nell de veth
    10 december 2013 at 13:06

    Leuk (waar gebeurt) kerstverhaal Jelle.

  2. Johan de Cocq
    9 december 2013 at 12:59

    Als de Nederlandse supermarkten nu eens zouden stoppen met elke dag voor 7’5 milioen euro aan “goed” eten weg te gooien, dan is er wellicht geheel geen voedselbank meer nodig.
    Dus geen zielige bedel verhaaltjes op gaan hangen rond kerst maar simpel gezond nadenken met zijn allen !