column nr 261

Op deze frisse herfstdag wil ik aan een tafel plaatsnemen met een warme cappuccino in een minder vertrouwd etablissement. Ik heb even de anonimiteit opgezocht. Althans dat dacht ik. Hij komt binnenstuiven, half verwaaid, hangt zijn jas weg en bestelt aan de bar een koffie. Dan komt hij bij mij aan tafel zitten en zegt: “Dus hier zit je tegenwoordig. Ik heb me tien slagen in het rond gezocht naar jou. Luister” Ik weet dat ik maar beter meteen gehoor kan geven en dus kijk ik hem met een vragende blik aan: “Wat zit je dwars?”

Hij haalt een paar keer adem: ”Weet je … die asielzoekers. Ik mag het niet zeggen, maar …”

Ik onderbreek hem: “Ik weet waar jij mee zit en ik zal proberen het duidelijk te maken aan de hand van wat vergelijkingen.“
Hij reageert: “Als het maar geen wiskundige vergelijkingen zijn, want dan ben je me snel kwijt.”

“Wees gerust, je kunt het best volgen. Ik wil mijn denkbeeld bij jou toetsen. Jij hebt buren. Hoe denk je daarover? Neem degene die pal naast je woont. Mag je hen, praat je met hen, kun je met hen opschieten?”
Even aarzelt hij: “Eh … ja … driemaal ja. Tenslotte moet je met elkaar samenleven. Je hoeft niet elke dag bij elkaar over de vloer te komen, om toch elkaar met wederzijds respect te kunnen behandelen. We zijn tenslotte allemaal mens, niet waar?”

Ik vervolg: “Dat antwoord had ik ook wel van je verwacht. Nu het volgende. Die buren die schuin aan de overkant wonen, daar in de zijstraat, je weet wel met die grote auto. Zeg maar gerust dure auto. Kun je met hen ook opschieten?”
Hij antwoordt oprecht: “Ik ken die mensen eigenlijk niet zo goed. Het lijken mij geen onaardig lui. Ik zeg haar wel eens gedag, maar ik zie haar misschien één keer in de maand. Hem zie ik nooit, hij werkt altijd tot laat. Maar waarom vraag je dat? Ben je met een buurtonderzoek bezig?”

“Nee, wacht nou, laat mij mijn verhaal afmaken. Jij kent toch dat gezin dat vlakbij de bushalte woont? Met die drie kinderen?”
“Drie, oh… ik weet maar van twee. Zo goed ken ik ze nu ook weer niet. Vroeger toen ze nog geen kinderen hadden, sprak ik hem wel eens. Geen onaardige vent, maar kennen is wel een erg groot woord. Ik heb geen idee wat hij doet. Als hij iets illegaals zou doen, zou ik er niet gek van opkijken, maar ja… ik ken hem amper.”

Ik vervolg: “En herinner je nog Herman. Herman uit Vlaardingen?”
Hij denkt even na en dan komt de herinnering naar boven: “Ach ja, die Haringkop! Een beetje vreemd was hij wel. Praatte ook echt met platte tongval. Ik associeer dat altijd met achterstand. Geen idee of hij werkelijk een moeilijke jeugd heeft gehad. Ik vermoed van wel, afgaand op hoe hij meestal gekleed was.”
Ik glimlach en knik instemmend: “Je bent eerlijk. Je geheugen is goed. Maar nu een andere uitdaging. Jij werkte vroeger toch bij een bedrijf waar je ook Turkse collega’s had. Ging je met hen om. Kwamen jullie wel eens bij elkaar over de vloer?”

Hij lijkt te vermoeden waar ik heen wil met mijn vragen: “Je brengt mij een beetje in het nauw. Zo voelt het… Nee we zochten elkaar nooit op. We werkten samen waar nodig, maar ik kende eigenlijk van niemand de thuissituatie. Net zo min als dat ik mijn Hollandse collega’s echt ken. Het bleven halve vreemden voor mij.”

Ik vervolg: “Je kent kennelijk niet eens echt de mensen waar je regelmatig mee omgaat. Je houdt iedereen op een afstand. Hoe moet je dan wel staan tegenover totaal vreemden? Je weet weinig van je stadsgenoten, je collega’s. Je oordeelt zonder dat je iemand hebt leren kennen. Ik hoef nu zeker niet meer te vragen hoe jij tegenover asielzoekers staat? Want je staat tegenover hen, geef het maar toe.”
Hij knikt en zegt:” En die lui krijgen overal voorrang van de overheid, van de huiseigenaren, van.. van … van mijn landgenoten.”

Ik kijk hem aan en vraag: “Is dat laatste iets waar asielzoekers schuldig aan zijn? Weet je waarom die mensen naar ons land zijn gekomen? Heb jij zo iets meegemaakt?”
Hij schudt zijn hoofd en zegt: “Ergens diep van binnen weet ik dat ook wel, maar toch het knaagt aan mij. Ik vind het discriminatie van het eigen volk. Eigen volk moet eerst!”

Ik sluit af met: “Weet je, eigen volk eerst is een kreet die een eigen leven is gaan leiden. NU vooral in negatieve zin. Het afwijzen van alles wat onbekend en anders is. Dat is xenofobie: angst voor het onbekende.We kunnen dit gesprek nog een tijd voeren. Ik heb daar nu helaas geen tijd voor. Ik moet naar een afspraak. Maar overdenk ons gesprek eens. En dan vooral de laatste woorden: afwijzen van alles wat onbekend en anders is. Het moet juist beginnen bij wederzijds respect.

Respect kun je overigens niet opeisen. Je krijgt het door wat je doet en niet doet. Dat is precies waar veel hedendaagse publieke discussies mank gaan: Zwarte Piet, VOC kruiden, noem het maar op. Men praat zonder nuance met in beton gegoten meningen, gebaseerd op niks. Dat geldt voor beide kampen. Als we alles wat foute associaties oproept klakkeloos om zeep zouden brengen, dan blijven er weinig zaken over. Weinig mensen ook. Misschien alleen maar jij en ik. En ik heb een hekel aan een aantal eigenschappen van mijzelf. Wil jij dan Nederland in je eentje hebben?”

Hij grijnst: “Ja als je het zó stelt. Ik ga het eens allemaal rustig overdenken. Wie weet was dit dan ons allerlaatste samenzijn … geintje… Je hoort me wel weer.”

We rekenen af en ik kijk hem na. Zijn nadenkende aarzelende pas geeft mij moed. Hij steekt de markt over. Die komt nog wel een keer terug met hopelijk een genuanceerder standpunt.


 

Jelle Ravestein

Jelle Ravestein

■dichters, schrijvers cartoonisten en columnisten corrigeren? U heeft nog veel te leren!■

Columnist | Schrijver | Dichter | Mensenslijper | Aan de andere kant | Business Consultant | Filosoof | Spindoctor | Ethicus | Moralist | Ironicus | Sarcast | Zoeker | Mens | Aan(dekaak)steller | Vrijdenker | Optimistische realist

2 Reacties

  1. Bea Scheurwater
    29 oktober 2018 at 11:36

    Respect moet je verdienen, met je gedrag, daden

  2. Aad Rieken
    29 oktober 2018 at 09:04

    “Respect Kun Je Niet Opeisen”

    Maar Wij Kunnen Het Wel Be-Werk-Stel-Liggen!