U kent hem waarschijnlijk wel: Murphy, nou ja, de wet van Murphy zal bekender zijn. Als er iets tegen zit, zit meteen alles tegen. Het overkomt iedereen wel een keer (of meer) en laatst had ik weer eens zo’n dag. Ik stond op het punt op reis te gaan naar zonniger oorden, even weg van de sombere dagen met veel wind, kou en regen. Het was nog niet echt lente in Nederland. Nog even de computer opstarten om de laatste mailtjes te bekijken. Daar laat de pc het afweten en vertrek ik ietwat geïrriteerd naar het vliegveld.

Goed, mijn tablet gaat mee, zodat ik toch nog contact kan houden met mijn omgeving. Vroeger, in mijn vaartijd, was ik maanden van huis met nauwelijks enige communicatie, maar ja toen waren er ook nog geen satellieten, wifi, facebook, skype en al die andere mogelijkheden. Ik maakte contact met de seinsleutel, in morse-code. Een kennis van me mailde laatst iets uit een vliegtuig, “hangend hoog boven Alaska”, schreef hij. Je moet, waar ook ter wereld of daarbuiten altijd en overal bereikbaar zijn, wil je mee kunnen doen in de huidige maatschappij.

In het vliegtuig naar de zon, zo’n 737 met 149 vakantiegangers, zit je opgevouwen met een bewegingsruimte van nul komma nul. Ook nog eens vastgegespt “voor uw veiligheid”, voel je je als in een dwangbuis, zeker wanneer je tussen twee anderen in zit.

Tijd voor koffie. Nu moet je dat bij die chartermaatschappijen apart betalen, dus met veel pijn en moeite vis ik mijn portemonnee uit mijn broekzak. Na betaling lukt het terugstoppen voor geen meter, dus het kleinood leg ik even tussen mijn vest. Dat had ik nou beter net niet moeten doen. Bij het uitstappen denk ik meer aan de uitnodigende zon, dan aan zo’n zwarte pocket. Het ding was waarschijnlijk al onder mijn stoel beland.

Bij het hotel wil ik inchecken en moet mijn Visacard tonen. Die zit tussen andere pasjes en wat kleingeld goed weggestopt. Waar? Dan pas realiseer ik me dat ik wat verloren heb. Paniek grijpt me naar de keel. De hostess aan de telefoon noteert hoe het portemonneetje er uit ziet, wat er in zit en nog wat formaliteiten. Het vliegtuig is al weer onderweg naar Rotterdam, dus ook de luchthaven even bellen. Daar kunnen ze niet helpen, want de balie is al gesloten. Of ik het maar even bij “lost and found” op Schiphol wil aangeven. Weer een waslijst aan gegevens doorgeven. Ik zal binnen een week bericht krijgen per mail. Inderdaad krijg ik vijf dagen later een mailtje uit Nederland dat “ tot onze spijt niets gevonden is”. Eerder al heeft de hostess mij geïnformeerd dat in de shuttlebus bij het schoonmaken in de garage geen portemonneetje van Piet tevoorschijn is gekomen. Geen berichten om vrolijk van te worden.

Het hotel, “met ruime kamers met zeezicht”, heeft ook enkele familiekamers, van diezelfde ruime kamers die in tweeën gesplitst zijn met een tussendeur. Toevallig hebben ze ons in de helft, nee minder dan de helft, van zo’n familiekamer gestopt. Met ook nog eens zicht op een liftschacht en o ja, om het hoekje is nog wat zee te zien.

De eerste nacht in een vreemd bed is toch vaak al moeilijk, maar ik kan de slaap deze keer nog minder vatten. Piekeren waar het ding kan zijn en of een onverlaat er niet met mijn bankpasjes vandoor is gegaan. In gedachten zie ik al mijn rekeningen diep in het rood staan. Al krijg ik niet meteen de neiging om mijn pasjes te laten blokkeren. Dat zou nog meer gedoe geven. De volgende dag mag ik rond het middaguur de hostess terugbellen voor vervolgstappen. De uren kruipen voorbij, de vakantiezon is voor mij nog net zo somber als de regen thuis. Eindelijk kan ik bellen en een opgewekte stem meldt mij dat “het portemonneetje met inhoud op het vliegveld ligt.” Jippie! Wauw! Opeens voel ik de zonnestralen als een warme douche over mij heenkomen.

Heeft Murphy dan echt zijn hielen gelicht? Niet helemaal. Hij heeft nog een speldenprikje bewaard tot op het vliegveld. Een norse Spaanse achter de balie van gevonden voorwerpen zegt dat mijn portemonnee er niet meer is. Ik moet naar iemand van de reisorganisatie. Maar wie en waar? Toch niet helemaal terug naar het hotel, op drie kwartier rijden? Nee ergens op het vliegveld moet mevrouw Minnebier (mooie Belgische naam) rondlopen, al heeft niemand van haar collega’s haar vandaag gezien. Ik loop van aankomst- naar vertrekhal en terug. Er wordt door collega’s wat gebeld via portofoons en na een minuut of tien stapt een dame op mij af en haalt een zwart “valieske” uit haar jaszak.

Zij had mij al herkend aan de foto op mijn rijbewijs. Ik kan mevrouw Minnebier wel “minnen”, al bedank ik haar hartelijk en opgelucht zonder zoenen. Tijd voor bier, dat toeval of niet bij een lokale pub uitgeschonken wordt in een glas van het merk “Murphy”. Kom ik dan nooit van die vent af?

Terug in het hotel breekt de zon helemaal door als ik naar een veel ruimere kamer met volledig zeezicht mag verhuizen. Het is alsnog een prachtvakantie geworden. Die nare meneer Murphy was al op zoek gegaan naar andere slachtoffers.

Piet van Dijk

Piet van Dijk

Piet van Dijk | PR Voedselbank | Schrijver | Secretaris 'World Ship Society Rotterdam'

3 Reacties

  1. Paulette Elens
    7 april 2016 at 09:34

    Heerlijke column Piet. Genoten zonder leedvermaak!

    • Piet van Dijk
      7 april 2016 at 12:10

      Dank je Paulette. Achteraf konden we ook wel lachen.

  2. Aad Rieken
    7 april 2016 at 08:51

    ”PIET VERGEET ‘t NIET”
    naregenkomtzonneschijn

    Na Magere Jaren;
    Al Zijn Het Er Geen Zeven/
    Komt Ooit Weer De Tijd,
    Van Het Heerlijk Zweven.