Ik heb mijn cappuccino reeds betaald en wil net het grandcafé verlaten als hij binnenkomt. Ik heb hem vaker gezien en gesproken, dus hij herkent mij meteen: “Mag ik bij u aanschuiven?”

Gezien zijn leeftijd vind ik het niet fatsoenlijk om te vertrekken en hem links te laten liggen: “Gaat u gang. Hoe is het met u op dit moment?”

Hij neemt tegenover mij plaats en zegt: “Goed. Dankuwel. Mag ik u een moderne gelijkenis vertellen?”

Ik had het kunnen verwachten, maar – voordat ik er erg in heb – steekt hij van wal voor een monoloog, een preek bijna. En hij spreekt op een plechtige toon als een dominee van de oude stempel. Luid en duidelijk, als een hardhorende. Niet gek voor iemand van bijna tachtig.

De ober knipoogt naar mij van achter de tap en wijst met zijn hoofd naar de oude heer, zoiets als “Daar gaat ie weer!”

De oude heer begint: “Er is een man die woont in een huis met voor zijn deur een parkeerplaats. Hij kan ook nog op de oprit bij zijn huis parkeren. Prima zo lijkt het. Zowel hij als zijn partner parkeren dus voor het eigen huis. Het is echter zo druk in zijn buurt dat hij zelden op die parkeerplaats kan staan, omdat meestal een van de buurtgenoten ‘zijn plekkie’ heeft ingepikt. Hij windt zich daarover enorm op en bedenkt allerlei onoorbare dingen die hij kan doen, om die aso’s – zo noemt hij hen – dwars te zitten, weg te pesten, aan te geven of wat voor actie ook om maar van die lui af te komen.”

Ik val hem in de rede: “Is hij feitelijk niet net zo erg als die lui als hij dat ten uitvoer brengt? In de ogen van die mensen is hij dán de aso. Wat zullen die dan als tegenzet bedenken?”

Hij gaat door: “U heeft helemaal gelijk. In wezen wil hij kwaad met kwaad bestrijden. U snapt dus waarover het gaat. Dan kan ik nu het grotere plaatje schetsen. Laten we die man eens vervangen door de gemiddelde argwanende Nederlander, zeg maar de fans van, kom hoe heet hij … Goor, nee Geer … Geer Twilder.”

Ik kijk wat onrustig om mij heen. Gelukkig is er niet veel volk op dit moment.

“Die lui zijn ook bang dat ‘hun plekkie’ door anderen wordt bezet. Ze verzinnen van alles om het de asielzoekers en vluchtelingen zo moeilijk mogelijk te maken. Het blijft gelukkig tot nu toe bij holle retoriek, maar ik voorspel dat het nog wel eens flink uit de hand kan gaan lopen.”

Hij kijk mij aan en steekt als een onheilsprofeet een waarschuwende vinger in de lucht. Ik knik voorzichtig en zeg: “Ik ben bang dat u gelijk heeft. Ik snap de gelijkenis. Bedankt voor uw verhaal.”

Ik sta op, groet hem beleefd en verlaat het café. Terwijl ik richting de Wip loop, schud ik met mijn hoofd en denk: Ik kan mij niet voorstellen dat zoiets zich straks hier gaat voordoen.

Echt niet. Niet in Maassluis.

Jelle Ravestein

Jelle Ravestein

Columnist | Schrijver | Dichter | Poëziecafé Woordkunst | Mensenslijper | Aan de andere kant | Business Consultant | Boomredder | Spindoctor | Ethicus | Moralist | Zoeker | Mens | voormalig Stadsdichter van Maassluis |
■ Wie dichters, schrijvers en columnisten wil corrigeren, heeft nog veel te leren ■

3 Reacties

  1. 21 september 2015 at 16:30

    Ik draai het voor het gemak meestal maar om, als wij ons land zouden moeten ontvluchten, dan zouden ze toch ook heel blij zijn als we ergens met open armen zouden worden opgevangen.

  2. Ronald van Santvliet
    21 september 2015 at 13:35

    Prachtig geschreven stuk Jelle.

  3. Aad Rieken
    21 september 2015 at 08:46

    ”ON-SCHULDIG!”

    Stel eens dat jij was die vluchteling,
    wat zou je voelen als vreemdeling.
    Als je wordt gehaat,
    in daden geschaad,
    en gedoemd wordt tot mislukkeling.