Wist JIJ dat? Dit doen columns met de lezer ...(klik op plusteken)
  Het is goed dat je als lezer weet wat (de waarde en betekenis van) een column is.
  • De aard van de journalistieke vorm van columns is dat deze informatief, leerzaam. onderhoudend maar ook kritisch, humoristisch (parodie, ironisch, sarcastisch, satirisch) en prikkelend kunnen zijn binnen een maatschappelijke context.
  • Wat voor de één een leuke of rake column is, is voor een ander onzin, een belediging of niet acceptabel. Youp van 't Hek die met alles en iedereen de vloer aanveegt in zijn columns in het NRC wordt niet door iedereen gewaardeerd. Hetzelfde geldt voor Theo Holman in Het Parool en diverse andere columnisten. Aan columnisten wordt door de Nederlandse rechter een grote mate van vrijheid toegekend in hun columns. Deze vrijheid kan zich ook uitstrekken tot teksten die, als ze buiten een column geschreven zouden zijn, als kwetsend of beledigend gekenmerkt worden.
Zie ook bijgaande definitie van wikipedia:  

© wikipedia


Deze gastcolumn is een vakantieverhaal door een voor Klarie bekende. Wij weten (nog) niet wie het is.

Redactie

Het was op een koude decemberavond dat ik langs de kade wandelde. Dat doe ik graag, een wandelingetje langs de haven. Met mijn fotocamera maak ik graag wat mooie kiekjes van onze stad. Maar vanavond had ik mijn camera niet bij me. Want het was een beetje druilerig. Achteraf jammer, want dan had ik een foto kunnen maken van mijn kleine makker. Nu gelooft niemand mij wanneer ik vertel hoe ik mijn kleine vriend heb leren kennen.

Het zit namelijk zo.

Terwijl ik daar langs de kade wandel, zag ik op een bolder een heel bijzonder wezentje zitten. Het was een klein muisje, met een hoed van stro op zijn hoofd. Maar oh, hij zat helemaal te bibberen!  Rustig liep ik naar hem toe. En ik vroeg: “Wat is er kleine vriend?” “Ik heb het zo koud”, zei het kleine mannetje. Hij zei nog meer, maar ik kon hem niet verstaan want hij was enorm aan het klappertanden.

Voorzichtig nam ik het kleine mannetje in mijn handen en nam hem mee naar huis. Daar zette ik hem lekker voor de kachel met een bekertje chocolademelk. “Hoe heet je?”, vroeg ik. “Figo” zei het kleine mannetje.

‘Waar kom je vandaan?’

 

En toen begon het kleine mannetje te vertellen.

1,2,3 en tillen maar! Een norse stem bulderde door de fabriek. 100 kleine mannetjes waren daar aan het werk. Wat waren ze aan het doen? Ze hadden grote dozen met allemaal mooi versierde spullen erin. Het was vuurwerk. In alle vormen en maten en in allemaal bontgekleurde verpakkingen. Het was zwaar en gevaarlijk werk wat de mannetjes deden. Al het vuurwerk moest in dozen en alle dozen moesten worden opgestapeld. Eén van die mannetjes was onze vriend Figo. Het zweet stond op zijn voorhoofd en hij zag er moe uit. En soms wreef hij met zijn hand over zijn rug. Want oh, wat deed zijn rug pijn van al dat sjouwen. Hij werkte nu al 15 uur en mocht nog steeds niet naar huis.

Naar huis, naar huis, alsof dat kleine afdakje bij de haven een huis te noemen was! Figo was naar de stad gegaan om werk te zoeken. Op de boerderij van zijn ouders was niet genoeg eten voor Figo en al zijn broers en zussen. Hij heeft er 7! En daarom was Figo naar de stad gegaan om geld te verdienen. Maar wat had hij een heimwee en wat was het zwaar. En wat droomde hij ervan om weg te gaan. Weg uit de vuurwerkfabriek en weg uit de vieze stinkende stad.

En toen, op een mooie zomerse dag, Figo zat een beetje weg te dutten onder zijn afdakje aan de haven, werd hij opgeschrikt door een enorme stoomfluit. Whoeeeeeeh, galmde het door de haven. Toen Figo zijn ogen opendeed zag hij een prachtig schip de haven binnenvaren. Het schip was zwart met wit en bovenop zat een heel grote schoorsteen. Whoeeeeeeeh, klonk het weer door de haven.

Het schip had boomstammen op sleeptouw zag Figo. Die moeten uit de binnenlanden zijn gekomen, want in de buurt van de boerderij van Figo zijn ouders waren veel bossen. Wat zou ik toch graag op dat schip willen werken dacht Figo…

Langzaam slenterde hij naar de kade. Stoere matrozen waren bezig het schip vast te maken met grote touwen. “Aan de kant, kleintje”, schreeuwde een grote zeebonk tegen Figo. En Figo moest een enorme sprong maken anders was de grote knaap keihard tegen hem aangekomen.

En terwijl Figo terugliep naar zijn afdakje maakte hij een plannetje. Want misschien was hij wel klein en kon hij niet op tegen die grote zeebonken, hij was reuzeslim! Toen het schemerig begon te worden, stopte hij een paar broodjes in zijn zak, hij rolde zijn slaapmatje op en bond die op zijn rug en zo sloop hij naar de boot. Bij het schip aangekomen keek hij nog één keer goed om zich heen. Toen hij niemand zag, klauterde hij voorzichtig via het touw naar boven. Aan dek gekomen kroop hij achter een grote kist.

En opeens begon de hele boot te trillen en te brommen. Figo schrok zich het apekool! Wat was dit! Whoeeeeeeh, whoeeeeeeeeh, schalde de stoomfluit door de haven. ‘Trossen los!’ Figo voelde dat de boot begon te varen.

En dat varen duurde lang! Dagenlang zat Figo aan boord. En net toen Figo stiekem wat eten had gepikt in de keuken begon het te stormen. Het schip ging tekeer! Figo kroop snel weer achter de kist en wachtte tot de storm ging liggen. Moe van alle spanning viel hij diep in slaap. Toen hij weer wakker werd was alles stil om hem heen. Hè? Waar was hij, wat was er gebeurd. Voorzichtig krabbelde hij op en gluurde om het hoekje van de kist. Alles was stil, iedereen was weg.

Ze lagen aan wal! Maar wat ziet het er hier vreemd uit! Figo zag allemaal grote statige huizen aan de kade. Heel wat anders dan wat hij gewend was. En wat is het koud! Bibberend pakte hij zijn spulletjes en via het touw kroop hij naar de wal. Hij stond nauwelijks op de straat of er kwam een grote auto aangereden. Pas op! De auto reed vlak langs Figo door een diepe plas. Whoeshhh… een enorme golf water spoelde over Figo heen!

De tranen sprongen in zijn ogen. Verdrietig klom hij op de bolder waar het touw van het schip omheen was vastgemaakt. En daar zat hij sip voor zich uit te staren. Tot er een vriendelijke oude meneer op hem af kwam. “Ik ben meneer Veenstra,” zei de oude meneer, “kom maar met me mee makker, je bent helemaal nat en koud.”

En zo is Figo dus bij mij in huis terecht gekomen. Mijn vrouw heeft een piepklein bedje voor hem klaargemaakt. Daar heeft hij heerlijk in geslapen.

En weet je wat we de volgende dag hebben gedaan? We gingen naar een gezellig café waar allemaal dames zaten te breien. En een heel lieve mevrouw maakte daar een piepklein truitje voor onze Figo. Een muizentruitje. Lekker warm! Nu weet je dus hoe Figo in Maassluis terecht is gekomen. En wat hij verder heeft beleefd? Misschien vertel ik dat nog wel een andere keer…

Reageren? ... Blader naar beneden plaats jouw reactie direct onder artikel [binnen 30 dagen na publicatiedatum]

⊗——het einde ——⊗

◄ klik op de plus voor het schema WIE SCHRIJVEN DE VOLGENDE KEREN?

voorliggende column is tot nu toe gelezen door: 167 lezers

WIE SCHRIJVEN DE VOLGENDE KEREN?

Bekijk in LANDSCAPE stand (kantel uw portrait stand ) voor een goede weergave

Figo 's Baas

Figo 's Baas

Mr. X | Baas van Figo | Getrouwd | gastcolumnist bij Klare Oostermani