MAASSLUIS | De jaarlijkse schrijfwedstrijd van bibliotheek De Plataan leverde een aantal mooie inzendingen op. Het thema deze keer: “Vrijheid: geluk is voor iedereen …?” De eerste plaats was evenals vorig jaar voor Guido Knoop (Vlaardingen). Hij neemt de lezer mee in een beklemmende afrekening met het verleden.


Vrijheid, geluk is voor iedereen…? Geschreven door Guido Knoop

De wind waait zachtjes door de bomen wanneer ik voor het huis sta waarin ik ben opgegroeid. De imposante eik in de voortuin staat er nog steeds, maar de schommel waarop ik uren heb doorgebracht in vergeefse pogingen de hemel, of tenminste een andere wereld, te bereiken is verdwenen.

Na het overlijden van mijn moeder kreeg ik de sleutel van de notaris. Zonder broers of zussen is het huis dat ik niet wil hebben nu van mij. Ik woon inmiddels aan de andere kant van het land en heb zowel het huis als mijn moeder dertig jaar geleden voor het laatst gezien. Ik kon het niet langer verdragen, het zwijgen over alles wat er was gebeurd. Ze moet het hebben geweten, maar sprak er nooit over. Geen blik, geen houding die verried dat ze het wist. Dus liet ik haar achter, net als mijn vader ons achterliet.
De voortuin is een bonte strijd van bloemen en planten, allemaal vechtend voor een beetje zon. De plek waar mijn eerste en enige huisdier, een zwart konijn, begraven ligt, is nauwelijks herkenbaar. Het kruisje dat mijn vader voor het grafje timmerde, ligt uiteengevallen op de aarde. De gedachte aan mijn vader doet mij verstijven.

Hij grijpt me ruw bij mijn bovenarm en sleurt me de keldertrap af. Ik krijg geen kans om zelf te lopen, mijn blote voeten slaan tegen de traptredes. In de chaos probeer ik te bedenken wat ik misdaan heb, maar mijn gedachten lopen vast door de paniek. Mijn vader is onvoorspelbaar. Eén verkeerde beweging en hij verandert in een woeste storm, maar alleen als mijn moeder niet thuis is. Terwijl ik zijn klappen op mijn hoofd incasseer, schreeuwt hij dat hij niks heeft aan een kind dat niks kan. Het licht gaat uit.
Zijn greep brandt na op mijn arm en ik heb een bonkende pijn in mijn achterhoofd, wanneer hij alweer boven is en de deur achter zich op slot heeft gedaan. De komende uren zit ik in het donker te huilen.

Ik moet naar binnen, dat heb ik mijzelf en mijn psycholoog beloofd tijdens de laatste sessie, maar ik durf niet. Ik ben bang voor de angsten die naar boven zullen komen als ik de kelderdeur zie. Bang voor de beelden die de geur van het huis bij me zal oproepen. Ik adem diep in, verzamel alle moed die ik kan vinden, pak de sleutel uit mijn broekzak en loop naar de voordeur. Het haakje in het midden van de deur herinnert me aan de krans die daar altijd hing met Kerstmis. Alsof dit een normaal huis was, waar normale dingen gebeurden. De deur opent met een langgerekte kreun, het verzet zich tegen mijn terugkeer. Gelukkig, denk ik, wanneer ik de muffe geur van het huis, dat al twee maanden leegstaat, in me opneem. Deze geur herken ik niet.

Wanneer ik voorzichtig de hal betreed, schiet mijn blik direct naar de kelderdeur aan het eind van de gang. Mijn hart slaat een slag over en een golf van paniek overspoelt me. Ik heb nooit begrepen waarom het slaan altijd alleen in de kelder gebeurde. Misschien vond hij er een perverse troost in dat het verborgen bleef voor de rest van de wereld. Ik kan het niet, nog niet. Ik doe mijn best de kelderdeur te negeren en loop er voorbij, de trap op naar de kamer van mijn moeder op de eerste verdieping. De deur van haar kamer staat op een kier, alsof ze elk moment tevoorschijn kan komen en me kan vragen wat ik hier doe. Ik duw de deur verder open en stap naar binnen. De kamer is precies zoals ik me herinner, als een tijdcapsule van haar leven. Het bed is netjes opgemaakt, de deken strak gespannen alsof er nooit iemand heeft geslapen. Aan de muur hangen foto’s van ons schijnbaar gelukkige gezin.

En toch herinner ik me ook de keren dat hij me op zijn knie liet zitten, verhalen vertellend, zijn stem zacht en geruststellend. Die momenten van kalmte leken bijna een droom in vergelijking met de nachtmerries in de kelder. De man die me zonder waarschuwing naar de kelder sleepte, was dezelfde man die met een glimlach verhalen vertelde. Hoe kon één persoon zulke uitersten bevatten? Misschien was dat wel wat mij het meest beangstigde van alles; dat liefde en haat zo dicht bij elkaar lagen in zijn hart.

Ik loop naar haar kaptafel en strijk met mijn vingers over de flesjes parfum die daar nog staan. Het is vreemd hoe sommige dingen onveranderd blijven, maar alles daaromheen wel is veranderd. Mijn ogen vallen op een kleine, versleten sieradendoos. Aarzelend open ik het deksel en zie de eenvoudige gouden ketting die mijn moeder altijd droeg. Tranen wellen op in mijn ogen. Zou ze het geweten hebben? Heeft ze ooit geprobeerd er iets aan te doen? Waarom zei ze niks?

Terwijl ik daar sta, omringd door de laatste sporen van een vrouw die ik nauwelijks begreep, herinner ik me waarvoor ik hier ook ben gekomen. Ik hoop hier, in haar domein, het dagboek te vinden waarin ze altijd zo driftig schreef. Ik begin de lades van haar bureau te doorzoeken, een voor een. Oude rekeningen, vergeelde ansichtkaarten, een enkele brief, maar geen dagboek. Mijn zoektocht brengt me naar het nachtkastje, de kast in de hoek, zelfs onder het bed. Ik zoek in andere kamers, maar tevergeefs. Diep van binnen wist ik het al: ik moet de kelder in.

Een rilling trekt over mijn rug wanneer ik met bevende handen de klink van de kelderdeur naar beneden duw. Een muffe, vochtige lucht stroomt langs de trap omhoog. Ik doe het licht aan en begin af te dalen, elke trede voel ik weer hoe mijn voeten er tegenaan slaan. Flitsen van een vuist boven mijn hoofd, huilen, een brandende pijn. Ik dwing mezelf om te blijven ademen: in via de neus, uit via de mond.
Beneden in de kelder omhult de geschiedenis van deze plek me als een zware deken. Het zwakke licht bovenaan de trap werpt lange schaduwen op de koude, betonnen vloer. Overal staan opgestapelde dozen, oude meubels en in de hoek de werkbank van mijn vader. Dan valt mijn oog op een stoffige koffer onder de werkbank. Met hernieuwde moed trek ik de koffer naar me toe en open hem. Ik vind een stapel vergeelde papieren en een oude fotolijst. Voorzichtig leg ik ze opzij, en daar, onderin, ligt een versleten, rood leren boekje. Mijn hart slaat sneller terwijl ik het dagboek oppak en de eerste pagina opensla.


Het lezen van mijn moeders dagboek is als het ontrafelen van een ingewikkelde knoop. Stukken van het verleden worden zichtbaar, lege plekken vullen zich met woorden die nooit uitgesproken zijn. Ik ontdek geheimen die zowel verontrustend als verhelderend zijn en langzaam begin ik te begrijpen waarom ze altijd zweeg. Ik was niet de enige die werd geslagen. Met angst voor haar eigen leven en na jaren van mishandeling stelde ze mijn vader een ultimatum: ze zou alarm slaan bij elke instantie of hij moest verdwijnen. Hij koos voor het laatste. Na het, voor mij plotselinge, vertrek van mijn vader uit ons leven was haar verdriet en schaamte zo groot dat schrijven voor haar de enige manier was om het dragelijk te maken.

Ik zie de bladzijden krullen en verkolen, de woorden verdwijnen in rook en as. Terwijl ik toekijk hoe het vuur mijn verleden opruimt, voel ik een onverwachte rust in mijn lijf. De geheimen die jarenlang verborgen waren, zijn nu getransformeerd tot as. Met een laatste blik op de smeulende resten in de open haard draai ik me om en ga naar buiten. De eik voor het huis lijkt bijna beschermend op me neer te kijken. Voor het eerst in lange tijd heb ik een gevoel van bevrijding. Een nieuw hoofdstuk breekt aan in mijn eigen dagboek.



Ontdek meer van MAASSLUIS.NU

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Redactie Kunst&Cultuur

Redactie Kunst&Cultuur

Cultuurredactie | Publiceert cultuur gerelateerde onderwerpen, zoals literatuur, optredens, voorstellingen, exposities en culturele evenementen.

Geen Reactie

Wij WEIGEREN Reacties ZONDER Voornaam + Achternaam!