- De aard van de journalistieke vorm van columns is dat deze informatief, leerzaam. onderhoudend maar ook kritisch, humoristisch (parodie, ironisch, sarcastisch, satirisch) en prikkelend kunnen zijn binnen een maatschappelijke context.
- Waar de columnist dat zelf nodig acht, kunnen links in de tekst staan die naar achtergrondinformatie doorverwijzen
- Wat voor de één een leuke of rake column is, is voor een ander onzin, een belediging of niet acceptabel. Youp van ’t Hek die met alles en iedereen de vloer aanveegt in zijn columns in het NRC wordt niet door iedereen gewaardeerd. Hetzelfde geldt voor Theo Holman in Het Parool en diverse andere columnisten.
- Aan columnisten wordt door de Nederlandse rechter een grote mate van vrijheid toegekend in hun columns. Deze vrijheid kan zich ook uitstrekken tot teksten die, als ze buiten een column geschreven zouden zijn, als kwetsend of beledigend gekenmerkt worden.
Columnisten schrijven eigen visie op persoonlijke titel.
De redactie vroeg mij onlangs hoe ik aankijk tegen de steeds verdere penetratie van AI en digitalisering in ons dagelijks leven. Onderstaande is geen zwaar onderbouwd betoog, maar gebaseerd op wat ik elke dag weer om ons heen zie.
Ik ben geen tegenstander van digitalisering. Integendeel. Als schrijver en liefhebber van technologie zie ik dagelijks hoeveel gemak, snelheid en mogelijkheden digitalisering ons heeft gebracht. Maar juist daarom maak ik mij zorgen over de richting waarin we gaan. Technisch kunnen we steeds meer. De vraag is alleen: kunnen wij het ook aan?
Neem alleen al onze internetverbinding. We hebben inmiddels vrijwel alles aan het netwerk toevertrouwd: bankzaken, zorg, communicatie, overheid, werk, onderwijs en zelfs onze identiteit. Maar wanneer de verbinding uitvalt, ontdekken we hoe weinig er dan soms nog overblijft. Een storing bij een provider kan ineens betekenen dat je niet kunt betalen, niet kunt inloggen of niet bij informatie kunt die gisteren nog vanzelfsprekend beschikbaar was.
Dat maakt onze samenleving kwetsbaar.
Daar komt kunstmatige intelligentie bij. AI wordt steeds vaker ingezet als hulpmiddel, maar ook als beoordelaar, adviseur en soms zelfs als beslisser. Daarmee verplaatsen we verantwoordelijkheid van mensen naar systemen die lang niet altijd stabiel, eerlijk, volledig, zorgvuldig zijn. Een AI-systeem kan overtuigend antwoorden en toch ongelijk hebben. Het kan informatie missen, verbanden verkeerd leggen of een vooroordeel reproduceren zonder dat de gebruiker dat merkt.
Dat is geen theoretisch probleem. Hoe meer wij afhankelijk worden van AI, hoe groter de gevolgen van een fout.
En dan is er nog een groep die in het digitale geweld gemakkelijk wordt vergeten: mensen die niet zijn opgegroeid met computers en smartphones. Ruwweg vanaf zestig jaar wordt de digitale wereld voor een deel van de bevolking steeds minder vanzelfsprekend. Natuurlijk zijn er digitaal zeer vaardige ouderen. Maar er zijn ook mensen die moeite hebben met apps, DigiD, digitale formulieren, wachtwoorden en steeds veranderende systemen.
Zij zijn niet dom. Ze zijn digitaal minder vaardig.
Toch wordt dat verschil steeds vaker behandeld alsof het een persoonlijk tekort is. Wie niet kan meekomen, moet maar leren. De overheid digitaliseert verder, bedrijven sluiten fysieke loketten en organisaties verwijzen naar websites. Alsof iedere burger automatisch over dezelfde kennis, vaardigheden en apparatuur beschikt.
Dat is digibetisme aan de ene kant en digitale arrogantie aan de andere.
En misschien is dat wel het grootste probleem: we verwarren technologische vooruitgang met maatschappelijke vooruitgang. Digitalisering moet ons dienen. Niet andersom.
Daarbij moeten we oppassen voor een moderne variant van wat George Orwell in 1984 beschreef: een samenleving waarin technologie het mogelijk maakt mensen voortdurend te volgen, te registreren en te beoordelen. Een digitale Big Brother-clone hoeft niet letterlijk achter een beeldscherm te zitten. Het kan ook bestaan uit talloze systemen die gezamenlijk steeds meer weten over ons gedrag, onze voorkeuren en onze keuzes. Dat vind ik een onwenselijke ontwikkeling. Kijk maar naar wat China op dit gebied al jaren doet. Niet omdat technologie slecht is. Maar omdat macht zonder voldoende controle uiteindelijk altijd gevaarlijk wordt.
We zouden daarom niet alleen moeten vragen: Wat kunnen we digitaliseren? Maar vooral: Wat zouden we moeten digitaliseren, en waar moeten we bewust menselijk blijven?
Isaac Asimov 1 formuleerde dat probleem decennia geleden opvallend helder: “The saddest aspect of life right now is that science gathers knowledge faster than society gathers wisdom.”
Misschien is dat precies onze situatie. Onze technologie ontwikkelt zich razendsnel. Onze wijsheid aanzienlijk langzamer. En daarom zijn we nog niet klaar voor méér digitalisering.
- Book of Science and Nature Quotations (1988, p. 281) ↩︎
voorliggende column is tot nu toe gelezen door: 71 lezers Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
Ontdek meer van MAASSLUIS.NU

1 Reactie
Prima column! Inderdaad, we worden kwetsbaar door digitalisering. Beperkte sabotage kan al tot enorme ontwrichting leiden.
Maar we worden ook dommer. Zelf nadenken doen we steeds minder, we slikken alle extremistische bagger en fake news als zoete koek. En zie welke verkiezingsuitslagen er komen, gisteren nog met de AfD.
AI en social media zijn de doodsteek voor democratie en rechtsstaat. Als je voor- en nadelen afweegt blijken de nadelen vele malen groter te zijn.