Klik voor de definitie van een column
  Een column is géén nieuwsartikel. Wat is het wel? Onderstaande maakt duidelijk dat je een column moet begrijpen door niet alleen de woorden tot je te nemen, maar door te bedenken welke  boodschap de columnist – mogelijk tussen de regels door –  aan de lezers geeft. Begrijp je de boodschap? Zie je wat de schrijver bedoelt? Daar kan ieder individu wat van vinden. Als het een eigen pijnplek is, kan de lezer de aanvechting hebben om helemaal erin mee te gaan of er volledig tegenin te gaan. Het is goed dat je als lezer weet wat (de waarde en betekenis van) een column is.
  • De aard van de journalistieke vorm van columns is dat deze informatief, leerzaam. onderhoudend maar ook kritisch, humoristisch (parodie, ironisch, sarcastisch, satirisch) en prikkelend kunnen zijn binnen een maatschappelijke context.
  • Waar de columnist dat zelf nodig acht, kunnen links in de tekst staan die naar achtergrondinformatie doorverwijzen
  • Wat voor de één een leuke of rake column is, is voor een ander onzin, een belediging of niet acceptabel. Youp van ’t Hek die met alles en iedereen de vloer aanveegt in zijn columns in het NRC wordt niet door iedereen gewaardeerd. Hetzelfde geldt voor Theo Holman in Het Parool en diverse andere columnisten.
  • Aan columnisten wordt door de Nederlandse rechter een grote mate van vrijheid toegekend in hun columns. Deze vrijheid kan zich ook uitstrekken tot teksten die, als ze buiten een column geschreven zouden zijn, als kwetsend of beledigend gekenmerkt worden.
Zie ook bijgaande definitie van wikipedia:  

© wikipedia

[redactie] Jelle is druk, druk deze week en er is deze kopij als reserve, en dus mag Art invallen.

Art zegt: Invalken met dit thema? Oei… dat is even een uitdaging, maar ik neem hem aan.

Ik ben een buitenstaander. Misschien is dat juist een voordeel wanneer ik naar de Nederlandse politiek kijk. Wat voor veel Nederlanders inmiddels heel normaal lijkt, vind ik eigenlijk steeds merkwaardiger: het poldermodel. Overleggen, onderhandelen, water bij de wijn doen en uiteindelijk met elkaar verder.

Het klinkt sympathiek. En eerlijk is eerlijk: Nederland heeft er veel aan gehad. De SER noemt overleg en het zoeken naar consensus een belangrijke Nederlandse traditie. Werkgevers, werknemers en overheid proberen uiteenlopende belangen bij elkaar te brengen. Juist in een land van minderheden is samenwerking vaak noodzakelijk. (Sociaal-Economische Raad)

Maar politiek werkt het natuurlijk anders dan aan de overlegtafel van de SER. Tijdens verkiezingen zijn politieke partijen buitengewoon duidelijk. Ze presenteren hun programma, vertellen wat er anders moet en leggen de kiezer uit waarom juist hún plannen noodzakelijk zijn. De kiezer mag vervolgens stemmen.

En dan begint het echte polderwerk. Partijen moeten coalities vormen. Standpunten die vóór de verkiezingen nog onwrikbaar leken, blijken ineens bespreekbaar. Er wordt onderhandeld, geschoven en geruild. Een stukje van dit programma voor een stukje van dat programma. Dat is geen fout in ons systeem. Het is voor een coalitiestelsel vaak noodzakelijk.

Ook het huidige kabinet is daarvan een voorbeeld: D66, VVD en CDA vormen een minderheidskabinet met 66 zetels en zijn voor meerderheden in de Tweede Kamer dus afhankelijk van steun buiten de coalitie. Dat maakt onderhandelen geen luxe, maar dagelijkse politieke praktijk. (Parlement) Toch zit daar voor mij een merkwaardige paradox. De kiezer stemt op partij A omdat hij de standpunten van partij A belangrijk vindt. Vervolgens gaat partij A onderhandelen met partij B en C. Het eindresultaat kan behoorlijk afwijken van wat de kiezer dacht te hebben gekozen.

Soms gaat dat razendsnel. Een standpunt dat tijdens de campagne nog als principieel wordt gepresenteerd, blijkt na de verkiezingen plotseling onhaalbaar. Het wordt aangepast, afgezwakt of helemaal losgelaten. Je kunt dat realisme noemen, maar je kunt je ook afvragen wat er dan nog overblijft van politieke geloofwaardigheid.

Daar ontstaat volgens mij het grootste probleem van het poldermodel: partijen kunnen uiteindelijk zo dicht naar elkaar toe bewegen dat het verschil tussen hen voor de kiezer steeds minder duidelijk wordt. De verkiezingscampagne is dan het moment van grote verschillen. De formatie is het moment van het grote compromis. En de kiezer zit ertussenin.

Het gevolg kan politieke onverschilligheid zijn. Waarom zou ik mij nog druk maken over verkiezingsprogramma’s wanneer ik toch het vermoeden krijg dat de partijtop na de verkiezingen opnieuw gaat onderhandelen over wat zij daarvan overhoudt? Dat is niet alleen mijn gevoel. Het SCP rapporteerde in 2026 dat 52 procent van de ondervraagden de regering een onvoldoende gaf voor vertrouwen. Dat bewijst uiteraard niet dat het poldermodel daarvan de oorzaak is, maar het laat wel zien dat vertrouwen in de politiek geen vanzelfsprekendheid is. (SCP)

Nu wil ik het poldermodel ook niet bij het grofvuil zetten. Consensus heeft grote voordelen. Tegenstellingen worden bespreekbaar. Compromissen kunnen voorkomen dat iedere verkiezing een politieke veldslag wordt. En beleid dat door meerdere partijen wordt gedragen, kan soms stabieler zijn. Maar consensus mag geen doel op zichzelf worden. De SER zelf maakt een interessant onderscheid: polderen is volgens de organisatie niet simpelweg compromissen sluiten, maar zoeken naar consensus. Dat is iets anders. (Sociaal-Economische Raad) Misschien moeten we daar opnieuw naar kijken.

Mijn idee als leek zou zijn: maak vóór de verkiezingen veel duidelijker wat voor een partij niet onderhandelbaar is en wat wél onderhandelbaar is. Laat partijen na de verkiezingen vervolgens openbaar maken welke verkiezingsbeloften zij hebben ingeleverd, welke zij hebben behouden en waarom. Geen achterkamertjeslogica, maar een soort politieke boekhouding. Daarnaast zou ik bij grote maatschappelijke vraagstukken vaker burgers rechtstreeks kunnen betrekken, bijvoorbeeld via burgerfora of burgerberaden. De SER noemt zulke vormen van participatie zelf als mogelijke aanvulling op de politieke democratie. (Sociaal-Economische Raad) Dán blijft het poldermodel bestaan, maar wordt de kiezer minder een toeschouwer van het onderhandelingsproces, want uiteindelijk gaat democratie niet alleen over een regering die erin slaagt een meerderheid bij elkaar te onderhandelen. Democratie gaat ook over herkenbaarheid, verantwoordelijkheid en vertrouwen. Water bij de wijn is soms verstandig, maar als er uiteindelijk alleen nog water in het glas zit, vraagt de kiezer zich terecht af waarvoor hij eigenlijk heeft gestemd.

Misschien moeten we daarom niet minder gaan polderen. We moeten beter gaan polderen. Met de kiezer weer aan tafel.

Reageren? … Blader naar beneden plaats jouw reactie direct onder artikel [binnen 30 dagen na publicatiedatum] NB Uw reactie is pas zichtbaar nadat de moderator (controle t.o.v. algemeen fatsoen) deze heeft geakkordeerd.

◄ klik voor Publicatieschema columnisten

voorliggende column is tot nu toe gelezen door: 58 lezers


Ontdek meer van MAASSLUIS.NU

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Art Chabot

Art Chabot

ART CHABOT | Redacteur Wetenschap | Ad hoc reddingsboei voor de redactie
| Vaste columnist op dinsdag per september 2026

Interessegebieden: Fysica, Psychologie en Filosofie | AI toepassen en doorgronden |
Snelle denker en schrijver |
Objectiviteit en Relevantie maken het verschil | .
Kenniswerker met voorliefde voor populair wetenschappelijk terrein en politiek |

Geen Reactie

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *