Ruim op tijd nader ik te voet de Groote Kerk. De avondzon geef de gelegenheid een mooi begin. Ook binnen zal de de zon de ruimte tot het einde van het eerste deel inkleuren. Er komt een groepje identiek geklede jongetjes aangerend. Dat moet het jongenskoor zijn. Ze worden snel in het gareel gebracht, want zij moeten direct naar binnen.

Er is zoveel gezegd en geschreven over dit meesterwerk. Er zijn vele uitvoeringen op vele locaties in de loop der jaren ten gehore gebracht. Het zou misplaatste arrogantie zijn als ik een vaktechnische recentie zou schrijven. Ik kan slechts weergeven hoe het bij mij overkomt.

In de kerk hoor ik het geroezemoes van de vele aanwezigen, dat aanhoudt totdat de eerste muzikanten aantreden. Als ook de solisten hun plaats hebben gevonden, komt de dirigent binnen en de kerk zit meteen in de juiste stemming. Na het welkomstwoord van burgemeester Karssen begint de Passion.

Ik zie diverse aanwezigen met een eigen boek met de volledige partituur. Voor hen volstaat kennelijk het programmaboekje niet. Dat boekje bevat het volledig libretto, de tekst, zowel in het Duits als Nederlands. Voor mij zit een dame die kennelijk haar leesbril niet bij zich heeft. Zij houdt het boekje 10 centimeter voor haar neus. Ze ziet daardoor niets van orkest en koor. Na een kwartier geeft zij het dan ook op, dan maar puur op gehoor genieten.

Vooraf en ook tijdens het eerste deel maak ik mij zorgen of mijn aandacht niet zal verslappen. In dit deel zijn de minst bekende stukken en deze zijn mooi, maar minder enerverend. Het is aan de uitvoerenden om de zaal te pakken en dat lukt wonderwel. Dirigent Gijs Leenaars heeft het helemaal in de hand. Op een aangename wijze dirigeert hij, zijn accenten zijn duidelijk te herkennen maar zijn prominente positie trekt toch niet alle aandacht.

Mijn connectie met de Matthäus Passion stamt al uit mijn jeugd, zonder dat ik mij dat zo bewust was. Gezang 13 “Is dat mijn koning” [ O Haupt voll Blut und Wunden ] was en is het voor mij meest aansprekende kerkelijke gezang. Deze melodie komt herhaalde malen voor bij de nummers 21, 32, 33, 53 en 63. Zowel tekst als melodie raken mij tot in het diepst van mijn gevoel. Ook in deze uitvoering komt het helemaal bij mij binnen.

Het Concertgebouw Kamerorkest vormt het fundament van de uitvoering. In deze samenstelling komen de arrangementen mooi tot hun recht. Het spel is ernstig zonder ooit te zwaar te worden. De violensectie vormt een mooie basis en toont zijn kunnen met name rond het stuk nummer 61.

Fragiel en toch krachtig is het spel op de viola da gamba. In een aantal stukken (oa nr 41 en 66) komt Ivanka Neeleman prominent met haar spel naar voren. Ook de fluitisten Ellen Alberts en Appolona Klarenbeek zijn in het tweede gedeelte een aantal maal prominent hoorbaar en komen dan goed tot hun recht. Zo mooi kan de fluit dus klinken. Ook concertmeester Tjeerd Top excelleert met een solo voor de fijnproevers in stuk nr 47. Hij speelt gedoseerd, ingehouden, bijna breekbaar. Hobo’s en fagot spelen in diverse stukken de melodie die zich in rondo’s herhaalt. Die herhaling is Bach’s kracht. Het is alsof hij ons het goed wil inprenten. Tenslotte wil ik ook de partij van de contrabassen vermelden die een soepele, aanwezige maar niet dominante ondertoon ten gehore brengen. Fraai spel.

Het orgelspel is puur dienend en overstemt nergens, valt vaak niet echt op. Wel valt de schilderes op die boven naast het orgel zit en op het witte doek af en toe een aantal streken plaatst. Het jongenskoor neem ik vanut mijn zitplaats geen moment waar. Zijn zij er wel? [een minpuntje voor mijzelf als leektoehoorder]

Het koor zingt als een eenheid. Op momenten dat er ingetogen moest worden gezongen was het zeer fraai. In de diverse koralen is de beurtzang tussen de twee groepen onderling en met de solisten goed. In sommige stukken vormt het koor  een ‘Wall of Sound”, een muur van geluid, krachtig en toch beheerst. De passie, woede of intens verdriet: ze weten het allemaal in hun zang te leggen.

De rol van de verteller is een zware. Veel tekst, veel delen met beperkte ondersteuning van het orkest. Tenor Mikael Stenbaek houdt gedurende de hele avond zijn energie goed vast en is een overtuigd verteller. De enige kanttekening die ik bij hem maak, is dat ik soms zijn moedertaal Zweeds hoor doorklinken in de Duitse tekst, maar dat zij hem vergeven. Bariton Niklaus Kost zingt een solide partij maar valt niet echt op. Zijn partituur leent zich niet voor zangtechnische hoogstandjes en dan verdient hij een compliment voor zijn dienende rol in deze uitvoering.

Julia Neumann zingt haar partijen met veel overtuiging en het is te horen dat zij veel ervaring heeft. Voor mij is mezzosopraan Esther Kuiper de ster van de avond. Wat een mooie stem en wat zingt zij deze avond gloedvol. Ik wil best meer van haar horen na deze avond. Tenor Franciso Fernandèz-Rueda zingt zijn stukken zo soepel dat het leek alsof hij het er terloops even bij deed. Wat een gemak. Hij heeft een fraaie lichte klankkleur in zijn stem die hem extra boeiend maakt. Tenslotte Bas-Bariton Frans Fiselier. Zijn diverse rollen zet hij goed neer. Krachtig en met veel inzet. Je hoort zijn ervaring en zekerheid.

Nummer 77 een koraal is van grote schoonheid en verbeeldt de bezinning en berusting. De uitvoering wordt met het slotkoor (nummer 78) fraai afgerond: alle gevoelens komen bij elkaar.

De stilte die dan volgt, benadrukt de ernst van het stuk. Bij het verlaten van de zaal blijken er toch enige aanwezigen die het verzoek op bladzijde 1 van het het programma negeren. Er klinkt een bescheiden applaus. Het is natuurlijk moeilijk om de uitvoerenden je waardering te onthouden. Bij mijn vertrek uit de kerk is er een gepaste stilte die wordt omlijst door de volle maan die hoog aan de hemel staat.

Het is volbracht. Ten volle. Laat de avondlijke stilte symbolisch zijn. Een ieder is tot zwijgen gebracht. Hulde voor Bachkoor Holland.

PS
In de pauze sprak ik kort met stadgenote Annemarie Verburg, die in het koor zingt. Ik zei haar dat zij af en toe naar Esther keek met een blik van ‘Die solo zou ik ook wel willen zingen”. Zij reageerde spontaan met een ‘Dat was wel een beetje zo en ja, ik kan dat ook best wel”.  Wie weet wanneer er zich een kans voordoet…

Jelle Ravestein

Redactie

Redactie

Hoofdredactie van Maassluis.Nu | Verzorgt berichtgeving die niet onder een specifiek redactieteam valt