Ik geef het meteen toe: ik heb nooit veel met koninklijke poppenkast gehad. Niet uit republikeinse overtuiging, maar gewoon – zakelijk bekeken – leek het me een dure PR-machine met weinig toegevoegde waarde. In mijn tijd als ondernemer rekende ik altijd door: wat kost het, wat levert het op? En bij het Koningshuis, tja… de cijfers zijn schimmig, de opbrengsten onmeetbaar, en de symboliek? Daar kon je bij mij destijds niet mee afrekenen.
Maar de jaren verzachten zelfs de scherpste rekenaar. Nu ik niet meer dagelijks targets en kwartaalcijfers hoef na te jagen, kijk ik anders naar dat paleis op de Dam. Niet alleen met de vraag: “Wat doen ze daar eigenlijk de hele dag?”, maar ook: “Wat zou er gebeuren als ze er op een dag niet meer zijn?”
Want dat is tegenwoordig niet ondenkbaar. Steeds meer mensen, vooral jongere generaties, vragen zich hardop af waarom we anno 2025 nog een erfelijk staatshoofd hebben. Waarom de dochter van de koning, zonder sollicitatiegesprek, stage of assessment, ooit onze representant wordt in binnen- en buitenland. En eerlijk is eerlijk: dat ís een ongemakkelijke waarheid. In een wereld waarin we pleiten voor gelijke kansen en transparantie, voelt zo’n constructie als een anachronisme – een antiek meubelstuk in een strak modern interieur.
Maar dan kijk ik naar de foto’s van de Koning op werkbezoek bij overstromingsslachtoffers. Of de Koningin die een bibliotheek opent in een achterstandswijk. Ik zie hoe het gezin, keurig gecoördineerd, op Koningsdag door een regenachtig stadje wandelt, handen schuddend, lachend, luisterend naar fanfares en kinderkoren. En ik besef: dit is geen bestuurslaag. Dit is theater. Nationaal theater. En dat is precies wat het zo waardevol maakt.
Het Koningshuis bestuurt niet. Ze regeren niet in wetten of besluiten. Ze symboliseren. En dat is misschien wel hun grootste kracht: ze zijn een constante in een politiek landschap dat steeds versnipperder, luidruchtiger en feller wordt. Waar ministers komen en gaan, en premiers na twaalf jaar alsnog hun biezen pakken, blijven zij staan. Onverkozen, ja. Maar ook onverslijtbaar. En in een tijd waarin veel mensen zich nergens echt meer thuis voelen, is een beetje continuïteit misschien wel meer waard dan ooit.
Stel je even voor: we schaffen het Koningshuis af. De vlag gaat niet meer uit op paleis Noordeinde, maar op een grijs gebouwtje aan het Plein in Den Haag waar een gekozen president resideert – meneer of mevrouw de Republiek der Nederlanden. Iemand die om de vier jaar campagne moet voeren, zich moet profileren, mediatraining krijgt om te glimlachen naar camera’s, en ondertussen het volk moet vertegenwoordigen. Iemand die misschien van partij wisselt, polariseert, de helft van het land tegen zich in het harnas jaagt, of een schandaaltje op z’n naam heeft staan. Zien we daarin de eenheid die we nu – hoe gekunsteld soms ook – projecteren op een Koning?
Want dat is misschien wel hun grootste bijdrage: representatie zonder frictie. Of in elk geval: zonder partijpolitieke frictie. Ze zijn boven de partijen verheven, juist omdat ze nergens écht bij horen. Ze mogen niets zeggen, en dat is maar goed ook. Ze luisteren, lachen, leggen kransen en spelden lintjes op. En in dat ritueel schuilt rust. Verwachtingsmanagement. Voorbeeldgedrag.
We hebben dat soort symbolen nodig, hoe rationeel we ook denken te zijn. Vraag het aan een zakenman zoals ik, en ik vertel je: elke organisatie die alleen maar functioneert op structuur en cijfers, zonder symboliek en rituelen, wordt uiteindelijk zielloos. Mensen willen ergens bij horen, iets herkennen, een anker. En zeg nou zelf: wie zou je liever met onze sporters naar de Olympische Spelen sturen? De voorzitter van de Tweede Kamer? Of Maxima, stralend in een oranje japon, hand op het hart bij het Wilhelmus?
Natuurlijk, het Koningshuis maakt fouten. Privévluchten, vakanties op onhandige momenten, kinderen die hun eigen weg zoeken in een gouden kooi. Maar dat maakt ze menselijk – en soms is dat juist hun kracht. Want als de kroon al af en toe scheef staat, zien we ook dat zelfs op het hoogste niveau vallen en opstaan bij het leven hoort.
Nee, ik pleit niet voor een klakkeloos voortbestaan van het Koningshuis. Er mag best wat transparanter gewerkt worden. Wat zuiniger ook. En als Amalia over twintig jaar besluit dat ze liever literatuurwetenschap doceert dan linten doorknipt, dan moet dat ook kunnen. Maar ik hoop dat we niet te snel afscheid nemen van wat we nog niet volledig doorgronden.
Mijn wens voor de toekomst?
Dat we blijven nadenken over de vorm van onze democratie, maar ook blijven koesteren wat haar kleur geeft. Dat we beseffen dat verbinding niet alleen zit in debatten, maar ook in symboliek. En dat we het Koningshuis blijven zien als wat het is: geen bestuursorgaan, maar een levend ritueel. Een spiegel waarin we als land af en toe even kunnen kijken: wie zijn we, en waar willen we bij horen?
En mocht die spiegel ooit breken, dan hoop ik dat we iets terugvinden dat minstens zo verbindend, menselijk en waardig is. Maar tot die tijd zeg ik: leve de Koning – al was het maar omdat hij ons eraan herinnert dat stijl ook nog ergens toe doet.
Columnisten schrijven eigen visie op persoonlijke titel.
- De aard van de journalistieke vorm van columns is dat deze informatief, leerzaam. onderhoudend maar ook kritisch, humoristisch (parodie, ironisch, sarcastisch, satirisch) en prikkelend kunnen zijn binnen een maatschappelijke context.
- Waar de columnist dat zelf nodig acht, kunnen links in de tekst staan die naar achtergrondinformatie doorverwijzen
- Wat voor de één een leuke of rake column is, is voor een ander onzin, een belediging of niet acceptabel. Youp van ’t Hek die met alles en iedereen de vloer aanveegt in zijn columns in het NRC wordt niet door iedereen gewaardeerd. Hetzelfde geldt voor Theo Holman in Het Parool en diverse andere columnisten.
- Aan columnisten wordt door de Nederlandse rechter een grote mate van vrijheid toegekend in hun columns. Deze vrijheid kan zich ook uitstrekken tot teksten die, als ze buiten een column geschreven zouden zijn, als kwetsend of beledigend gekenmerkt worden.
Columnisten schrijven eigen visie op persoonlijke titel.
- De aard van de journalistieke vorm van columns is dat deze informatief, leerzaam. onderhoudend maar ook kritisch, humoristisch (parodie, ironisch, sarcastisch, satirisch) en prikkelend kunnen zijn binnen een maatschappelijke context.
- Waar de columnist dat zelf nodig acht, kunnen links in de tekst staan die naar achtergrondinformatie doorverwijzen
- Wat voor de één een leuke of rake column is, is voor een ander onzin, een belediging of niet acceptabel. Youp van ’t Hek die met alles en iedereen de vloer aanveegt in zijn columns in het NRC wordt niet door iedereen gewaardeerd. Hetzelfde geldt voor Theo Holman in Het Parool en diverse andere columnisten.
- Aan columnisten wordt door de Nederlandse rechter een grote mate van vrijheid toegekend in hun columns. Deze vrijheid kan zich ook uitstrekken tot teksten die, als ze buiten een column geschreven zouden zijn, als kwetsend of beledigend gekenmerkt worden.
Ontdek meer van MAASSLUIS.NU
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

3 Reacties
Heil de Koning……. LOL
Ik voorspel een rollercoaster van emoties vandaag. Jankend voor de TV, tijdens de uitvaart van de Paus. Lachend voor de TV, om alle gekkigheid in Doetinchem en de kleedjesmarkt in ons dorp.
Afijn…blijkbaar alleen de bakker snapt het dilemma, hij verkoopt tompausen.
Nou veel plezier allemaal, of sterkte, ook prima!
Ik ben weg uit Maassluis vandaag…naar elders.
De Paus is dood, ‘Leve de Koning’!.