“Maar ik wil helemaal niet zo’n boze vrouw worden.” Ze zit tegenover me, keurig rechtop, handen gevouwen in haar schoot. Alsof ze zichzelf bijeen houdt. Alsof er iets in haar zit dat ze koste wat kost binnen de lijnen wil houden.
“Wat denk je dat er gebeurt als je boos wordt?” vraag ik.
“Dat ik doorsla. Dat ik dingen zeg waar ik spijt van krijg. Of erger… dat ik mensen kwets.”
Ik knik. Niet omdat ze gelijk heeft, maar omdat ik haar angst herken. Boosheid heeft een slechte naam. We hebben geleerd dat boos zijn iets is wat je moet beheersen, dempen, liefst wegwerken. Zeker als vrouw. Boosheid past niet bij het plaatje van zorgzaam, redelijk en verbindend. Dus wat doen veel mensen? Die slikken hun boosheid in. Ze rationaliseren hem weg. Of ze verpakken hem netjes als teleurstelling, vermoeidheid of “ik ben gewoon een beetje overprikkeld”. Maar boosheid verdwijnt niet omdat je hem negeert. Hij gaat ondergronds. En daar wordt hij zelden vriendelijker van.
Ik zeg tegen haar: “Boosheid is geen probleem. Onbewuste boosheid is dat wel.”
Ze kijkt me vragend aan.
“Boosheid is een signaal,” ga ik verder. “Net als pijn. Als je je hand op een hete plaat legt, trek je hem terug. Je gaat niet eerst analyseren of het wel gepast is om pijn te voelen. Boosheid werkt hetzelfde. Het zegt: hier wordt een grens overschreden. Hier klopt iets niet voor jou.”
“Maar waarom voelt het dan zo heftig?” vraagt ze.
“Omdat je hem waarschijnlijk al te lang hebt ingehouden.”
Dat is vaak wat er gebeurt. Boosheid die niet geuit wordt, stapelt zich op. Als een snelkookpan zonder ventiel. En dan, op een dag, ontploft hij. Niet per se op het juiste moment, en zelden op de juiste persoon. En dát is waar mensen bang voor zijn. Niet voor boosheid zelf, maar voor het verlies van controle.
“Dus ik moet gewoon maar gaan schreeuwen?” zegt ze half sceptisch.
“Niet ‘gewoon maar’,” zeg ik. “Maar je mag jezelf wel toestemming geven om je boosheid te voelen én te uiten. Op een manier die veilig is.”
Daar zit het verschil. Boosheid onderdrukken is niet veilig. Boosheid afreageren op anderen ook niet. Maar boosheid bewust uiten, in een gecontroleerde setting, dát is waar de beweging zit. Ik geef mijn cliënten vaak een simpele opdracht: creëer een plek waar je boos mag zijn. Alleen, of met iemand die je vertrouwt. Zonder oordeel. Zonder dat je meteen ‘redelijk’ hoeft te zijn.
Dat kan betekenen dat je hardop zegt wat je eigenlijk denkt. Dat je schreeuwt in je auto. Dat je op een kussen slaat. Dat je schrijft zonder filter. Dat je woorden gebruikt die je normaal inslikt. Het doel is niet netjes blijven. Het doel is eerlijk zijn. Pas als de eerste lading eruit is, ontstaat er ruimte. Ruimte om te voelen wat er onder die boosheid zit. En dat is vaak verrassend. Onder boosheid zit regelmatig verdriet. Teleurstelling. Onmacht. Of een diep verlangen dat niet gezien of gehoord wordt.
Ik zeg tegen haar: “Boosheid is de deur, niet de kamer.”
Ze is even stil… “Dus als ik het toelaat… kom ik ergens anders uit?”, vraagt ze voorzichtig.
“Precies. Maar als je de deur dichthoudt, kom je nergens.”
Ik leg haar ook uit dat boosheid je iets vertelt over jezelf. Over je grenzen. Je waarden. Je behoeften. Iemand die nooit boos wordt, is óf verlicht… óf zichzelf kwijtgeraakt.
Ze glimlacht. “Dat laatste klinkt realistischer.”
Kijk, boosheid is geen vijand. Het is een richtingaanwijzer. Maar je moet wel leren lezen wat hij aangeeft. En dat begint met toestemming. Toestemming om te voelen wat je voelt. Zonder schaamte. Zonder meteen te corrigeren. Zonder jezelf klein te maken. Dat betekent niet dat je alles maar moet zeggen of doen wat in je opkomt. Integendeel. Het vraagt juist om verantwoordelijkheid. Eerst voelen. Dan begrijpen. En pas daarna kiezen wat je ermee doet.
We raken aan het eind van ons gesprek, Zij vraagt: “En hoe weet ik of ik het goed doe?”
Ik zeg: “Als je na afloop rust voelt in plaats van schuld, zit je op de goede weg.”
Boosheid die op een veilige manier geuit wordt, lucht op. Het maakt helder. Het brengt je dichter bij jezelf. Boosheid die onderdrukt of ongecontroleerd geuit wordt, laat vaak een spoor van schade achter. Het verschil zit niet in de emotie, maar in hoe je ermee omgaat.
Advies
Wil je op een gezonde manier met boosheid omgaan? Maak het concreet en veilig. Plan desnoods tijd in om te ontladen. Ga wandelen en spreek hardop uit wat je dwarszit. Schrijf een ‘boze brief’ die je niet verstuurt. Gebruik fysieke beweging: boksen, rennen, krachttraining. Of creëer een vaste plek thuis waar je even alles eruit mag gooien zonder publiek.
En misschien wel de belangrijkste: kies één persoon bij wie je eerlijk mag zijn, zonder dat je meteen gecorrigeerd wordt. Boosheid hoeft niet weg. Hij wil gehoord worden.
En als je goed luistert, vertelt hij je precies waar jij beter voor jezelf mag gaan zorgen.
Columnisten schrijven eigen visie op persoonlijke titel.
- De aard van de journalistieke vorm van columns is dat deze informatief, leerzaam. onderhoudend maar ook kritisch, humoristisch (parodie, ironisch, sarcastisch, satirisch) en prikkelend kunnen zijn binnen een maatschappelijke context.
- Waar de columnist dat zelf nodig acht, kunnen links in de tekst staan die naar achtergrondinformatie doorverwijzen
- Wat voor de één een leuke of rake column is, is voor een ander onzin, een belediging of niet acceptabel. Youp van ’t Hek die met alles en iedereen de vloer aanveegt in zijn columns in het NRC wordt niet door iedereen gewaardeerd. Hetzelfde geldt voor Theo Holman in Het Parool en diverse andere columnisten.
- Aan columnisten wordt door de Nederlandse rechter een grote mate van vrijheid toegekend in hun columns. Deze vrijheid kan zich ook uitstrekken tot teksten die, als ze buiten een column geschreven zouden zijn, als kwetsend of beledigend gekenmerkt worden.
voorliggende column is tot nu toe gelezen door: 173 lezers Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
Ontdek meer van MAASSLUIS.NU
