Er waart een nieuw soort fanatisme door onze samenleving. Niet religieus, niet politiek in klassieke zin, maar moreel verpakt als noodzaak: het redden van het klimaat, koste wat kost. Begrijp me goed – zorg voor het milieu is essentieel. Maar ergens onderweg is redelijkheid ingeruild voor dogma, en pragmatisme voor dwang. Wat resteert is een vorm van doorgeslagen milieufanatisme die steeds vaker botst met het dagelijks leven van gewone mensen.
Parkeerdruk
Neem de parkeerplaatsen in woonwijken. Waar ooit auto’s stonden, staan nu keurige rijen laadpalen. Op papier een vooruitgang. In de praktijk: chronisch lege plekken, gereserveerd voor elektrische auto’s die er vaak niet staan. Ondertussen cirkelen bewoners eindeloos rond op zoek naar een vrije plek. Het resultaat? Verhoogde parkeerdruk, frustratie en een groeiend gevoel van onrechtvaardigheid. Want waarom zou infrastructuur die bedoeld is voor een minderheid ten koste gaan van de meerderheid?
Slimme meters
Dan de steeds verdergaande bemoeienis achter de voordeur. Slimme gas- en elektrameters worden niet alleen gepresenteerd als handige hulpmiddelen, maar steeds vaker als instrumenten om individueel gedrag te monitoren en te sturen. Natuurlijk, inzicht in verbruik kan nuttig zijn. Maar wanneer wordt het controle? Wanneer verandert een hulpmiddel in een middel om gedrag af te dwingen? Het idee dat iemand op afstand kan meekijken of jij ‘goed bezig’ bent, schuurt ongemakkelijk met het gevoel van autonomie.
Matrixgekte
Daarmee komen we bij wat je bijna de “Matrix-gekte” zou kunnen noemen. Energiebedrijven en beleidsmakers proberen ons verbruik te sturen via variabele tarieven. Overdag goedkoper, ’s avonds duurder—of andersom, afhankelijk van de grillen van het net. Het doel: spreiding van gebruik. Het effect: een samenleving die zich moet aanpassen aan het stopcontact. Ineens wordt het draaien van een wasje een strategische beslissing. Niet wanneer het jou uitkomt, maar wanneer het systeem dat wil. Wie dient hier eigenlijk wie?
Brandstofbeleid
Ook op het gebied van brandstofbeleid zien we dezelfde reflex. Brandstofprijzen worden kunstmatig verhoogd onder het mom van vergroening, terwijl er strategische reserves beschikbaar zijn om tijdelijke schaarste op te vangen. In plaats van die reserves verstandig in te zetten om schokken te dempen, kiest men voor prijsdruk als gedragsinstrument. De automobilist moet voelen, zodat hij verandert. Maar voor veel mensen is de auto geen luxe, maar noodzaak. Het gevolg: groeiende ongelijkheid tussen wie kan verduurzamen en wie simpelweg moet zien rond te komen.
Zonnepanelen
En dan de zonnepanelen. Jarenlang werd de burger aangemoedigd om te investeren in duurzame energie. Subsidies, fiscale voordelen, salderingsregelingen—alles wees één kant op: leg die panelen op je dak. Maar nu het succes te groot wordt, verandert de toon. Subsidies verdwijnen, en de salderingsregeling bij teruglevering wordt afgebouwd. De terugverdientijd verdubbelt bijna. Wat ooit een verstandige investering was, wordt plots een financieel risico. Vertrouwen, eenmaal geschaad, komt niet snel terug.
Gasvelden
Misschien wel het meest wrange voorbeeld is het beleid rond gasvelden. Enerzijds worden ze gesloten vanwege aardbevingsgevaar en klimaatdoelen. Anderzijds wil men ze openhouden als strategische reserve voor crisistijden, zoals oorlog. Het is een paradox die moeilijk uit te leggen valt aan bewoners die al schade hebben geleden. Moeten zij opnieuw het risico dragen voor een hypothetische noodsituatie? Het lijkt alsof principes flexibel worden zodra het echt spannend wordt.
Buiten proporties
Wat al deze voorbeelden gemeen hebben, is een top-down benadering waarin de burger vooral moet volgen. De intentie—een duurzamere wereld—is nobel. Maar de uitvoering mist vaak nuance, proportionaliteit en empathie. Beleid dat mensen dwingt in plaats van meeneemt, roept weerstand op. En terecht.
Duurzaamheid zou geen strijd moeten zijn tegen de burger, maar een samenwerking met hem. Dat vraagt om realisme, om keuzes die haalbaar zijn, en om respect voor de diversiteit aan situaties waarin mensen zich bevinden. Anders dreigt het doel—een leefbare planeet—ondermijnd te worden door de weg ernaartoe.
Misschien is het tijd om een stap terug te doen. Niet om minder ambitieus te zijn, maar om weer menselijk te worden in de aanpak. Want zonder draagvlak wordt zelfs het beste idee onhoudbaar.
Columnisten schrijven eigen visie op persoonlijke titel.
- De aard van de journalistieke vorm van columns is dat deze informatief, leerzaam. onderhoudend maar ook kritisch, humoristisch (parodie, ironisch, sarcastisch, satirisch) en prikkelend kunnen zijn binnen een maatschappelijke context.
- Waar de columnist dat zelf nodig acht, kunnen links in de tekst staan die naar achtergrondinformatie doorverwijzen
- Wat voor de één een leuke of rake column is, is voor een ander onzin, een belediging of niet acceptabel. Youp van ’t Hek die met alles en iedereen de vloer aanveegt in zijn columns in het NRC wordt niet door iedereen gewaardeerd. Hetzelfde geldt voor Theo Holman in Het Parool en diverse andere columnisten.
- Aan columnisten wordt door de Nederlandse rechter een grote mate van vrijheid toegekend in hun columns. Deze vrijheid kan zich ook uitstrekken tot teksten die, als ze buiten een column geschreven zouden zijn, als kwetsend of beledigend gekenmerkt worden.
voorliggende column is tot nu toe gelezen door: 207 lezers Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
Ontdek meer van MAASSLUIS.NU
