[ redactie: Art valt in voor Cobi die aan het overwinteren is. Winter inspireerde hem voor de column met een anekdote die zich een paar jaar geleden afspeelde, toen hij nog studeerde. ]

Het sneeuwde die kerst zoals het alleen nog in herinneringen lijkt te kunnen sneeuwen. Grote, trage vlokken die de wereld dempten, alsof iemand het volume van de werkelijkheid iets terugdraaide. Het station lag erbij als een ansichtkaart: witte perrons, een flauw verlichte klok, reizigers die hun sjaals hoger optrokken en zich schikten naar de logica van dienstregelingen. Kerst is immers ook een afspraak.
Ik stapte in een trein die er precies uitzag zoals ik verwachtte. Warm licht, beslagen ramen, het geruststellende geluid van deuren die sluiten. Pas toen we vertrokken en het landschap langzaam veranderde, merkte ik dat iets niet klopte. De namen op de borden waren net niet de juiste. Het tempo leek hoger dan nodig. Een conducteur bevestigde mijn vermoeden: verkeerde richting.
“Volgende halte is pas over twintig minuten,” zei hij verontschuldigend, alsof het een natuurwet betrof. Ik knikte. Geen ramp, dacht ik. Twintig minuten extra. Wat maakt het uit op een kerstavond?
Dat is het gevaarlijke moment: wanneer we een fout herkennen, maar hem meteen relativeren. We zijn meesters in het verzachten van ongemak. Het is maar een omweg. Het valt wel mee. Nog even aanzien. Misschien komt het vanzelf goed. Filosofen hebben daar altijd al voor gewaarschuwd. Niet tegen fouten — die zijn onvermijdelijk — maar tegen uitstel. Want uitstel is zelden neutraal.
Blaise Pascal schreef al dat mensen hun leven leiden alsof ze oneindig tijd hebben. We doen alsof er altijd nog een volgend station is. Maar treinen hebben hun eigen logica. Ze stoppen waar ze stoppen, en hoe verder je doorrijdt, hoe lastiger het wordt om terug te keren.
In de coupé zat een gezin tegenover me. Grootouders, ouders, kinderen. Cadeaus in glanzend papier, thermoskannen met koffie, lichte spanning in de lucht. De kinderen vroegen herhaaldelijk: “Zijn we er al?” De volwassenen lachten het weg. Nog niet, bijna, straks. Kerst is bij uitstek het feest van straks. Straks vrede. Straks gezelligheid. Straks begrip.
Toen de trein eindelijk stopte — midden in een verlaten, besneeuwd station — voelde ik de aarzeling. Het was koud daarbuiten. Donker. Onbekend. Het was verleidelijk om te blijven zitten. De trein was warm, vertrouwd, en reed door naar grotere steden met meer mogelijkheden. Maar ook verder weg van waar ik moest zijn.
Die aarzeling is filosofisch interessant. Aristoteles noemde het akrasia: weten wat goed is, maar het toch niet doen. Niet uit kwaadwilligheid, maar uit gemak. Uit hoop dat de consequenties meevallen. Uit de stille wens dat de wereld zich aanpast aan onze fout, in plaats van andersom.
Ik stapte uit. De deuren sloten achter me met een definitieve klik. Het perron was leeg, de sneeuw kraakte onder mijn schoenen. Ik voelde spijt — niet omdat ik uitstapte, maar omdat ik het niet eerder had gedaan. De terugreis bleek omslachtig, duurder, langzamer. Bussen, wachttijden, omwegen. Elke minuut die ik langer was blijven zitten, had zich nu vermenigvuldigd.
Het gezin stapte niet uit. Ik zag ze door het raam, zwaaiend, lachend, nog steeds onderweg. Misschien kwamen ze uiteindelijk ook aan. Misschien moesten ze nog verder terug. Dat wist ik niet.
Dat is de kern van de uitspraak: als je op de verkeerde trein stapt, stap dan uit bij het dichtstbijzijnde station. Niet omdat het uitstappen prettig is, maar omdat doorgaan altijd een prijs heeft. In relaties. In werk. In overtuigingen. In conflicten die we laten etteren omdat “het nu even niet uitkomt”.
Kerst confronteert ons daarmee. We zitten rond tafels met mensen met wie we al jaren in dezelfde trein zitten. Soms in de verkeerde. Oude patronen, ingesleten verwijten, stiltes die meer zeggen dan woorden. En elk jaar denken we: laten we het vandaag maar gezellig houden. Volgend jaar praten we wel. Maar hoe langer we blijven zitten, hoe verder we van elkaar verwijderd raken — en hoe moeilijker het wordt om terug te keren.
De sneeuw maakt alles stiller, maar niet ongedaan. Ze bedekt, maar lost niets op. Net zo bedekt kerst conflicten, zonder ze te genezen. Dat kan alleen als iemand uitstapt. Iemand die zegt: dit gaat de verkeerde kant op. Niet beschuldigend, maar helder. Niet heroïsch, maar tijdig.
Die kerst kwam ik later aan dan gepland. De soep was lauw, de kaarsen half opgebrand. Maar ik was er. En belangrijker: ik wist weer hoe kostbaar het is om niet te lang te blijven zitten in iets dat niet klopt.
Misschien is dat wat kerst ons in stilte leert, tussen sneeuwvlokken en stationsklokken: vrede begint niet met volhouden, maar met durven stoppen. Met uitstappen voordat de prijs te hoog wordt. En met het besef dat zelfs in de kou, op een onbekend perron, altijd een weg terug begint.
Columnisten schrijven eigen visie op persoonlijke titel.
- De aard van de journalistieke vorm van columns is dat deze informatief, leerzaam. onderhoudend maar ook kritisch, humoristisch (parodie, ironisch, sarcastisch, satirisch) en prikkelend kunnen zijn binnen een maatschappelijke context.
- Waar de columnist dat zelf nodig acht, kunnen links in de tekst staan die naar achtergrondinformatie doorverwijzen
- Wat voor de één een leuke of rake column is, is voor een ander onzin, een belediging of niet acceptabel. Youp van ’t Hek die met alles en iedereen de vloer aanveegt in zijn columns in het NRC wordt niet door iedereen gewaardeerd. Hetzelfde geldt voor Theo Holman in Het Parool en diverse andere columnisten.
- Aan columnisten wordt door de Nederlandse rechter een grote mate van vrijheid toegekend in hun columns. Deze vrijheid kan zich ook uitstrekken tot teksten die, als ze buiten een column geschreven zouden zijn, als kwetsend of beledigend gekenmerkt worden.
voorliggende column is tot nu toe gelezen door: 147 lezers Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
Ontdek meer van MAASSLUIS.NU
