We leven in een tijd waarin woorden sneller zijn dan gedachten. Een tijd waarin het oordeel vaak al is geveld voordat de zin is uitgesproken. Wie vandaag een mening uit, krijgt er morgen een label bij. Woke. Complotdenker. Rechts. Links. Ziek. Normaal. Afwijkend. Het zijn etiketten die we achteloos op elkaar plakken, alsof mensen dozen zijn in een magazijn dat overzicht nodig heeft.
Het plakken van labels lijkt onschuldig. Het geeft houvast, overzicht, een gevoel van controle. De wereld is complex, en labels reduceren die complexiteit tot iets hanteerbaars. Maar filosofisch gezien is precies dát het probleem: wat we reduceren, verliezen we. En wat we verliezen, begrijpen we niet meer.
Neem het woord “woke”. Ooit bedoeld als een oproep tot bewustzijn van onrecht, is het inmiddels een containerbegrip geworden. Voor de één staat het voor morele alertheid, voor de ander voor overdreven gevoeligheid of morele superioriteit. Zodra iemand dat label krijgt, hoeven we niet meer te luisteren. We weten al genoeg; … denken we.
Hetzelfde geldt voor “complotdenker”. Natuurlijk bestaan er gevaarlijke fantasieën en misleidende theorieën. Maar wie iedere kritische vraag of afwijkende gedachte direct in dat vakje stopt, sluit het gesprek af voordat het begonnen is. Twijfel wordt verdacht. Vragen worden gezien als bewijs van irrationaliteit. En zo verliest het publieke debat precies datgene wat het nodig heeft: kritisch denken.
Ook politieke voorkeuren functioneren steeds vaker als identiteitslabels. Je bent niet langer iemand die op een partij stemt; je bent rechts, links, progressief of conservatief. Alsof een mens samenvalt met een vakje op een stembiljet. Alsof je standpunten op andere terreinen daarmee automatisch vastliggen. De nuance verdwijnt. De ander wordt een karikatuur.
Hetzelfde mechanisme zien we bij ziekte en geaardheid. Een diagnose wordt een identiteit. Een seksuele voorkeur een totale beschrijving van wie iemand is. Natuurlijk kunnen deze aspecten belangrijk zijn, vormend zelfs. Maar ze zijn nooit het geheel. Wie iemand herleidt tot één kenmerk, ontneemt hem zijn menselijkheid. Hannah Arendt waarschuwde hier al voor: het kwaad begint vaak niet met haat, maar met gedachteloosheid. Met het stoppen van echt nadenken over de ander.
De grote nadelen van labelen zijn talrijk. Allereerst maakt het lui. Labels nemen het denkwerk over. We hoeven niet meer te luisteren, niet meer te vragen, niet meer te twijfelen. Ten tweede maakt het hard. Want wie eenmaal een etiket heeft, wordt niet meer als individu benaderd, maar als vertegenwoordiger van een groep. En groepen zijn makkelijker te veroordelen dan mensen.
Daarmee heeft labelen ook een diep negatief effect op onze samenleving. Het polariseert. Het verdeelt. Het zet kampen tegenover elkaar die elkaar nauwelijks nog ontmoeten, laat staan begrijpen. Het gesprek verschuift van inhoud naar identiteit: niet wat je zegt telt, maar wie je bent — of beter gezegd: wat wij denken dat je bent.
Filosofisch gezien is dit een vorm van ontmenselijking. Martin Buber sprak over de tegenstelling tussen de Ik-Het-relatie en de Ik-Jij-relatie. In de Ik-Het-relatie reduceren we de ander tot een object, een ding, een categorie. In de Ik-Jij-relatie ontmoeten we de ander als mens, in zijn volheid en kwetsbaarheid. Labels duwen ons onvermijdelijk richting Ik-Het.
Het alternatief is niet ‘labelvrij leven’ — dat is onmogelijk — maar ‘bewust omgaan met begrippen.’ Nuance, overleg en wederzijds begrip vragen inspanning. Ze kosten tijd. Ze vragen om de moed om niet meteen te weten wat je vindt. Maar ze leveren meer op dan gelijk welk etiket.
Nuance opent ruimte. Overleg creëert verbinding. Wederzijds begrip maakt het mogelijk om het oneens te zijn zonder elkaar te ontkennen. In plaats van te zeggen: “jij bent een wappie”, kunnen we vragen: “waar komt je wantrouwen vandaan?” In plaats van “jij bent woke”, kunnen we vragen: “wat raakt jou hier zo?” Dat zijn geen zwakke vragen. Het zijn moedige vragen.
Een samenleving die stopt met luisteren, verliest haar vermogen tot zelfcorrectie. Democratie verwordt dan tot een strijd van slogans. Zorg verwordt tot bureaucratie. Menselijkheid verwordt tot een profiel. Wie labels plakt, denkt vaak een grens te trekken. In werkelijkheid bouwt hij een muur — en staat daar uiteindelijk zelf achter opgesloten.
Misschien is het tijd om minder te benoemen en meer te ontmoeten. Minder te definiëren en meer te begrijpen. Niet omdat we het altijd eens moeten worden, maar omdat we elkaar tekortdoen als we dat niet proberen.
De filosoof Spinoza schreef: “Niet lachen, niet huilen, niet veroordelen, maar begrijpen.” En Socrates voegde daar zijn beroemde inzicht aan toe: “Het begin van wijsheid is het erkennen van wat je niet weet.” Misschien begint het stoppen met labels precies daar.
Columnisten schrijven eigen visie op persoonlijke titel.
- De aard van de journalistieke vorm van columns is dat deze informatief, leerzaam. onderhoudend maar ook kritisch, humoristisch (parodie, ironisch, sarcastisch, satirisch) en prikkelend kunnen zijn binnen een maatschappelijke context.
- Waar de columnist dat zelf nodig acht, kunnen links in de tekst staan die naar achtergrondinformatie doorverwijzen
- Wat voor de één een leuke of rake column is, is voor een ander onzin, een belediging of niet acceptabel. Youp van ’t Hek die met alles en iedereen de vloer aanveegt in zijn columns in het NRC wordt niet door iedereen gewaardeerd. Hetzelfde geldt voor Theo Holman in Het Parool en diverse andere columnisten.
- Aan columnisten wordt door de Nederlandse rechter een grote mate van vrijheid toegekend in hun columns. Deze vrijheid kan zich ook uitstrekken tot teksten die, als ze buiten een column geschreven zouden zijn, als kwetsend of beledigend gekenmerkt worden.
voorliggende column is tot nu toe gelezen door: 200 lezers Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
Ontdek meer van MAASSLUIS.NU

2 Reacties
Nog een etiket: columnist
Is dat tegenwoordig ook al een stigmatiserend etiket?