
Mijn moeder zegt het niet verwijtend, eerder terloops, alsof ze een raam openzet. “Weet je,” zegt ze dan, “vóór de moderne geneeskunde waren er planten.” Ze zegt het op momenten dat ik achteloos een pilletje inneem tegen hoofdpijn, onrust of vermoeidheid. Niet om mij te bekeren, maar om mij te herinneren. Alsof ze wil zeggen: kijk eens verder dan dat kleine doosje. Denk eens na voordat je slikt.
In die ene zin zit een wereldbeeld verborgen. Geen vijandigheid tegenover artsen of wetenschap, maar een besef dat wat wij vooruitgang noemen vaak ook een vergetelheid is. Want vóór alles uit een laboratorium kwam, kwam het uit de natuur. Uit Moeder Aarde, zoals mijn moeder haar noemt — niet zweverig, maar eerbiedig.
Het is verleidelijk om onze kwaaltjes direct uit handen te geven. Een pil tegen pijn, een middel tegen stress, iets om beter te slapen. “Mother’s little helper,” zongen The Rolling Stones al in de jaren zestig. Het pilletje als stille bondgenoot in een wereld die te snel, te luid en te veeleisend is. Big Pharma heeft die behoefte feilloos begrepen. Voor vrijwel elke ongemakkelijkheid bestaat een product. En hoe alledaagser de klacht, hoe groter de markt.
Mijn moeder kijkt daar met mild wantrouwen naar. Niet omdat ze gelooft dat alles wat natuurlijk is per definitie beter is, maar omdat ze ziet hoe snel we onszelf uitbesteden. Alsof het lichaam een machine is die je met de juiste middelen steeds kunt laten doordraaien, zonder te luisteren naar wat het eigenlijk zegt.
Vóór aspirine was er wilgenbast. Vóór hoestsiroop was er vlierbes. Vóór ijzerpillen was er brandnetelblad. Het is een lijst die klinkt als een vergeten encyclopedie, een stille geschiedenis van menselijke vindingrijkheid vóór de patentaanvraag. Eeuwenlang leerden mensen door te observeren, te proeven, te falen. Ze ontdekten dat eucalyptus de adem opent, dat lavendel rust brengt, dat knoflook meer is dan smaak alleen. Niet omdat iemand eraan verdiende, maar omdat het werkte — of in elk geval verlichting bracht.
De filosoof Ivan Illich waarschuwde al dat een samenleving die elk ongemak medicaliseert, haar autonomie verliest. Zodra elk signaal van het lichaam wordt gezien als een storing die moet worden onderdrukt, verliezen we het vermogen om te luisteren. Pijn wordt een vijand, vermoeidheid een fout, angst een afwijking. Maar misschien zijn het ook boodschappen. Geen problemen die onmiddellijk opgelost moeten worden, maar vragen die aandacht verdienen.
Dat betekent niet dat we terug moeten naar een romantisch beeld van kruidenvrouwtjes en middeleeuwse remedies. Moderne geneeskunde heeft levens gered, lijden verminderd, kansen vergroot. Niemand pleit serieus voor een wereld zonder antibiotica of chirurgie. Maar ergens onderweg zijn we het midden kwijtgeraakt. De ruimte tussen niets doen en meteen slikken. De vergeten vraag: Is dit iets wat mijn lichaam zelf kan herstellen, met rust, voeding, aandacht — of met hulp uit de natuur?
Mijn moeder noemt dan voorbeelden. Weegbreeblad op een schaafwond. Kamille bij onrust. Calendula voor een geïrriteerde huid. Niet als wondermiddelen, maar als eerste stap. Alsof ze zegt: begin klein, begin zacht. Kijk wat er gebeurt voordat je opschaalt.
Filosofisch gezien raakt dit aan een oud spanningsveld: beheersing versus vertrouwen. De moderne mens wil beheersen — processen, risico’s, lichamen. Alles moet meetbaar, voorspelbaar, corrigeerbaar zijn. De natuur daarentegen werkt met ritmes, seizoenen, traagheid. Ze geneest niet altijd snel, maar vaak wel grondig. Ze vraagt geduld, en precies dat hebben we schaars gemaakt.
Het probleem is niet dat Big Pharma verdient. Het probleem is dat wij vergeten zijn dat gezondheid geen product is, maar een relatie. Een relatie met ons lichaam, onze leefstijl, onze omgeving. Wie bij elke hoofdpijn grijpt naar een pijnstiller, mist misschien de vraag wat die hoofdpijn veroorzaakt. Wie bij elke slapeloze nacht een middel neemt, hoeft niet te luisteren naar de onrust die zich meldt.
Mijn moeder weet dat. Ze is niet tegen pillen, maar tegen gedachteloosheid. Tegen het automatisme. Tegen het idee dat alles van buiten moet komen. Haar wijsheid is geen afwijzing van de moderne wereld, maar een uitnodiging om deze te relativeren.
Misschien is dat de kern van haar boodschap: vóór je iets inneemt, neem eerst waar. Vóór je iets onderdrukt, onderzoek wat zich aandient. Vóór je het antwoord in een laboratorium zoekt, kijk of Moeder Aarde het al eens heeft gegeven.
Het richtinggevend advies is dan ook eenvoudig, maar niet gemakkelijk: gebruik de moderne geneeskunde wanneer het nodig is, maar verlies je natuurlijke verstand niet. Behandel je lichaam niet als een probleem dat opgelost moet worden, maar als een bondgenoot die gehoord wil worden. Wie leert luisteren vóór hij slikt, zal merken dat gezondheid soms begint met aandacht — en niet met een pil.
Columnisten schrijven eigen visie op persoonlijke titel.
- De aard van de journalistieke vorm van columns is dat deze informatief, leerzaam. onderhoudend maar ook kritisch, humoristisch (parodie, ironisch, sarcastisch, satirisch) en prikkelend kunnen zijn binnen een maatschappelijke context.
- Waar de columnist dat zelf nodig acht, kunnen links in de tekst staan die naar achtergrondinformatie doorverwijzen
- Wat voor de één een leuke of rake column is, is voor een ander onzin, een belediging of niet acceptabel. Youp van ’t Hek die met alles en iedereen de vloer aanveegt in zijn columns in het NRC wordt niet door iedereen gewaardeerd. Hetzelfde geldt voor Theo Holman in Het Parool en diverse andere columnisten.
- Aan columnisten wordt door de Nederlandse rechter een grote mate van vrijheid toegekend in hun columns. Deze vrijheid kan zich ook uitstrekken tot teksten die, als ze buiten een column geschreven zouden zijn, als kwetsend of beledigend gekenmerkt worden.
voorliggende column is tot nu toe gelezen door: 127 lezers Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
Ontdek meer van MAASSLUIS.NU
