Ik loop op deze warme, benauwde vrijdagmiddag door het Stadshart en op de brug bij de Nieuwstraat neem ik even plaats op het bankje. Ik doe dat geregeld onder het mom van ‘even op adem komen’, maar ik wil vooral aanhoren wat de heren ‘brugzitters’ te melden hebben.
Deze brugzitters zitten op een bank, een scootmobiel of op een fiets. Pal naast Ervaar Maassluis … heel symbolisch… want zij vormen de graadmeter van de Sluizers. Wat zij als gesprekstof hebben, blijkt keer op keer een goede afspiegeling van onze discussies in de wandelgangen, op de hoek van de straat of in de rij bij de kassa.
Dáár hoor je wat ons – de inwoners – bezighoudt, wat ons boeit, angst aanjaagt of zorgen baart. En daar wordt onverbloemd gezegd wat wij van de ordebewakers, het gemeentebestuur en de gemeenteraad vinden.
Het is maar goed – of jammer? – dat de hoogwaardigheidsbekleders niet hun oor hier te luisteren leggen. Ze zouden schrikken van hoe er hier wordt gedacht over de BOA, de fatbike overlast, het asielbeleid door de gemeente, het afvalbeleid en heel veel meer. Hun taal is af en toe militant te noemen. Nu ja, agressief is een beter woord.
Ik hoor een flard van de lopende discussie. Het gaat deze keer over het parkeerbeleid. Het ongenoegen is niet van de lucht.
“Hij denkt dat ie met cijfers ons ken overtuigen, nou ech nie!”
“Die lefgozer heb een vlotte babbel, maar d’r komt te weinig zinnigs naar buiten.”
“Hij heb geen flauw idee wat wij belangerijk vinde. Hij woon niet eens in het stadhart. Hij woon er net buiten. Hij heb makkelijk lulle, gaat altijd op z’n fietsie naar het werk. Da ken nie iedereen.”
“Je hebt gelijk hij woon er net buiten, net buiten het stadshart. Aan de rand.”
De luidruchtigste brult al lachend: “Ha ha, de wethouwer is eigenlijk een randfiguur voor ons.”
Het gesprek gaat over op een ander onderwerp en ik besluit – al groetend – weer op te stappen richting de terrasboot bij Kevin’s. Het loopt tegen twee uur. Ik loop op mijn gemak over de Dr. Kuyperkade en sla aan het einde linksaf.
Ik kan een voorbijrazende fietser nog net ontwijken. Hij steekt over. Is dat nou die wethouder, waarover die mannen het zo juist over hadden? Het zou kunnen. Dit is tenslotte het ambtenarenuurtje waarin ze zich naar huis spoeden om “thuis te werken”. Hij stopt even verderop en stapt af. Ik geloof dat hij het inderdaad is. Best lekker om zonder file- of parkeerprobleem thuis te komen.
Ik stap de terrasboot op en bestel een borrel. Deze keer wel een ijskoude, want het is bepaald zomers, tropisch bijna. Zodra de dienstdoende ober mijn versnapering heeft gebracht, hef ik het glas naar hem en zeg: “Ik wens je weinig parkeerleed toe, vriend.”
Hij lacht en zegt: “Hoe wist u dat ik vanochtend een kwartier heb rondgereden om een parkeerplek in het stadshart te zoeken?!”
Ik reageer met: “Dat voelde ik aan mijn water, vriend.”
Santjes!
Columnisten schrijven eigen visie op persoonlijke titel.
- De aard van de journalistieke vorm van columns is dat deze informatief, leerzaam. onderhoudend maar ook kritisch, humoristisch (parodie, ironisch, sarcastisch, satirisch) en prikkelend kunnen zijn binnen een maatschappelijke context.
- Waar de columnist dat zelf nodig acht, kunnen links in de tekst staan die naar achtergrondinformatie doorverwijzen
- Wat voor de één een leuke of rake column is, is voor een ander onzin, een belediging of niet acceptabel. Youp van ’t Hek die met alles en iedereen de vloer aanveegt in zijn columns in het NRC wordt niet door iedereen gewaardeerd. Hetzelfde geldt voor Theo Holman in Het Parool en diverse andere columnisten.
- Aan columnisten wordt door de Nederlandse rechter een grote mate van vrijheid toegekend in hun columns. Deze vrijheid kan zich ook uitstrekken tot teksten die, als ze buiten een column geschreven zouden zijn, als kwetsend of beledigend gekenmerkt worden.
voorliggende column is tot nu toe gelezen door: 297 lezers Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
Ontdek meer van MAASSLUIS.NU
