Er zijn jaren die niet zozeer eindigen, maar iets afsluiten, iets afronden. 2025 voelt als zo’n jaar. Alsof we met z’n allen een doos dichtplakken waarop staat: dit hebben we geprobeerd, dit werkt niet meer. Na 2025 doen we sommige dingen gewoon niet meer. Niet omdat het verboden wordt, niet omdat iemand het oplegt, maar omdat we collectief aanvoelen: het past niet meer bij wie we zijn geworden.
We doen niet meer alsof we altijd bereikbaar moeten zijn. Het eeuwige pingeltje in onze broekzak heeft zijn gezag verloren. Natuurlijk, we blijven online, maar niet meer uit reflex. We durven weer later te reageren. Of helemaal niet. We hebben ontdekt dat stilte geen tekort is, maar een keuze. Ook in Maassluis zie je dat: mensen die tijdens een wandeling langs de Waterweg niet meer telefoneren, maar gewoon kijken. Naar het water. Naar de schepen. Naar elkaar.
We doen niet meer alsof haast een deugd is. Jarenlang verwarden we snelheid met belangrijkheid. Alles moest sneller: werk, boodschappen, gesprekken. Na 2025 wordt traagheid weer verdedigbaar. We wachten weer op elkaar. In de rij bij de bakker, bij het oversteken, bij het uitspreken van een zin. We onderbreken minder. We luisteren iets vaker tot iemand echt is uitgepraat. Dat klinkt klein, maar het is revolutionair.
We doen niet meer alsof spullen ons gelukkig maken. De schuren en zolders liggen vol bewijs dat dàt idee niet klopte. Nieuwe spullen verliezen hun glans sneller dan ooit. Wat blijft, is gebruik. We lenen weer meer, delen weer meer. In Maassluis betekent dat: gereedschap van de buurman, een extra stoel van de overkant, een kinderfiets die drie gezinnen meegaat. Minder bezit, meer vertrouwen.
We doen niet meer alsof afval uit het zicht verdwijnt. We hebben gezien waar het naartoe gaat. Dus gooien we minder weg, repareren we meer. Een jas met een nieuwe rits. Een telefoon met een tweede batterij. We leren onze kinderen weer dat iets stuk niet hetzelfde is als iets waardeloos. Dat is geen nostalgie, dat is gezond verstand.
We doen niet meer alsof we niemand nodig hebben. Het grote individualistische experiment heeft zijn piek gehad. Natuurlijk blijven we zelfstandig, maar we erkennen weer onze afhankelijkheid. Van elkaar, van de omgeving, van zorgzame handen. In Maassluis zie je dat in kleine dingen: een praatje bij het bankje, een appje naar een oudere buur, samen sneeuw vegen – als die er nog komt. We schamen ons minder om hulp te vragen. En nog minder om hulp te geven.
We doen niet meer alsof werk alles is. Het blijft belangrijk, ja, maar niet allesbepalend. Status verschuift. Niet de drukste agenda wint, maar degene die nog tijd heeft. Tijd voor kinderen, voor ouders, voor zichzelf. Tijd om ergens gewoon te zijn zonder doel. Na 2025 meten we succes vaker in energie dan in prestaties.
We doen niet meer alsof natuur een decor is. Het is geen achtergrond, het is hoofdzaak. Het park, de dijk, de Waterweg: ze zijn geen luxe, maar levensvoorwaarden. We lopen er anders langs of doorheen. Met aandacht. We laten minder achter en nemen minder mee. Misschien rapen we zelfs een stuk afval op dat niet van ons is. Gewoon omdat het kan.
We doen niet meer alsof we alles zeker weten. Dat is misschien wel de grootste verandering. We laten meningen iets losser. We durven “ik weet het niet” te zeggen zonder gezichtsverlies. We stellen vragen in plaats van conclusies. Dat maakt gesprekken zachter en de wereld iets minder scherp.
En misschien, heel misschien, doen we na 2025 ook dit niet meer: cynisch zijn over de toekomst. Niet omdat alles opgelost is, maar omdat hoop weer een praktische houding wordt. Geen grootse beloftes, geen perfecte plannen. Gewoon elke dag een beetje beter doen dan gisteren.
Mijn wens voor 2026 is dan ook geen spectaculaire. Ik wens ons dat we het gewone opnieuw bijzonder vinden. Dat we in Maassluis – en ver daarbuiten – vaker denken: dit is genoeg. Genoeg tijd, genoeg aandacht, genoeg menselijkheid. En dat we, als niemand kijkt, toch het juiste blijven doen. Dat zou pas echt een nieuw jaar zijn.
Columnisten schrijven eigen visie op persoonlijke titel.
- De aard van de journalistieke vorm van columns is dat deze informatief, leerzaam. onderhoudend maar ook kritisch, humoristisch (parodie, ironisch, sarcastisch, satirisch) en prikkelend kunnen zijn binnen een maatschappelijke context.
- Waar de columnist dat zelf nodig acht, kunnen links in de tekst staan die naar achtergrondinformatie doorverwijzen
- Wat voor de één een leuke of rake column is, is voor een ander onzin, een belediging of niet acceptabel. Youp van ’t Hek die met alles en iedereen de vloer aanveegt in zijn columns in het NRC wordt niet door iedereen gewaardeerd. Hetzelfde geldt voor Theo Holman in Het Parool en diverse andere columnisten.
- Aan columnisten wordt door de Nederlandse rechter een grote mate van vrijheid toegekend in hun columns. Deze vrijheid kan zich ook uitstrekken tot teksten die, als ze buiten een column geschreven zouden zijn, als kwetsend of beledigend gekenmerkt worden.
voorliggende column is tot nu toe gelezen door: 493 lezers Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
Ontdek meer van MAASSLUIS.NU
