Ik had altijd gedacht dat een mens wortel schiet waar hij het langst woont. Dat de grond onder je voeten vanzelf vertrouwd wordt als je er maar genoeg jaren overheen loopt. In mijn geval was dat Maassluis. Een stad waar ik volwassen werd, werkte, liefhad, verloor, lachte en mijmerde. Een stad waar ik de havenlucht herkende als een oude vriend en waar de wind altijd iets zouts meebracht.
Maar nu wandel ik elders.
Zesentachtig ben ik niet geworden – nog niet – maar met mijn 76 jaar vond ik het tijd om te luisteren naar de werkelijkheid. In Maassluis bleek een passende seniorenwoning een zeldzaam goed. Wachtlijsten als winteravonden: lang en koud. Dus ben ik vertrokken. Niet uit onvrede, maar uit noodzaak. Naar het oosten van het land, naar het bescheiden dorp van mijn jeugd. Daar stond wél een woning voor me klaar. Alsof het dorp had gewacht.
Mijn eerste wandeling hier voelde als het openslaan van een vergeeld fotoalbum. De klinkers zijn smaller dan ik me herinnerde, de lanen korter, de bomen hoger. Of misschien ben ik zelf kleiner geworden, dat kan ook. De lucht is hier anders. Breder. Ruimer. Geen havenkranen aan de horizon, geen bedrijvigheid die al vóór het ochtendgloren ontwaakt. Geen razend verkeer. Hier hoor ik het zachte loeien van koeien in de verte en het knarsen van mijn eigen stappen op het grindpad.
Onwillekeurig dwaalden mijn gedachten naar dat lied van Wim Sonneveld, Het dorp. Over hoe alles veranderde, hoe het dorp van toen alleen nog in herinnering bestond. En ik moet u bekennen: ook hier is de tijd niet stil blijven staan. Er staan nieuwbouwhuizen waar ooit een moestuin lag. De oude bakkerij is nu een kapsalon. En toch… toch is de ziel gebleven.
Wat hier anders is dan in Maassluis? De stilte, allereerst. Geen winkelcentrum dat echoot van koopjes en haast. Geen verkeerslichten die het ritme van de dag bepalen. Hier groet men elkaar nog zonder agenda. Een knikje, een hand, soms een kort praatje over het weer dat hier altijd onderwerp van gewicht is.
In Maassluis was ik onderdeel van een stad in beweging. Een stad met maritieme historie, met stoere schepen en trotse verhalen. Ik wandelde er vaak langs de Waterweg en keek naar wat kwam en ging. Het water bracht de wereld naar ons toe. Hier in het oosten brengt de wind vooral de geur van mest en gemaaid gras. En vreemd genoeg ontroert me dat.
Het is hier landelijk gebleven. Oer-Hollands, zou je kunnen zeggen. Er zijn hier nauwelijks Anderlanders. Rechte sloten, weilanden als lappendekens, een kerktoren die nog echt het middelpunt vormt. Geen skyline, maar een horizon die zich zonder schaamte uitstrekt. Ik realiseer me nu hoezeer het landschap een mens vormt. In Maassluis leerde ik vooruitkijken, met de blik op schepen die naar verre oorden voeren. Hier kijk ik naar binnen, naar wat was en wat nog rest.
En toch voelt dit niet als teruggaan. Het voelt als thuiskomen.
Misschien is thuis niet de plek waar ik het langst woonde, maar waar mijn eerste herinneringen wortel schoten. Waar ik als jongen over slootjes sprong en mijn moeder me riep voor het avondeten. Waar mijn vader op zaterdag zijn fiets tegen de muur zette en zei dat het leven eenvoudig moest blijven.
Vandaag loop ik naar de dorpskroeg. Een eeuwenoud pand, scheefgezakt maar fier. De houten balken dragen de geschiedenis als een zware winterjas. Binnen ruikt het naar bier, boenwas en herinneringen. Hier kwam mijn vader al. Hier vierde ik mijn eerste, veel te uitbundige verjaardag met vrienden die inmiddels opa zijn – of er niet meer zijn.
Ik ga aan de toog zitten. De barkeeper, een jongen die mijn kleinzoon had kunnen zijn, schenkt me een glimlach en vraagt wat het mag wezen. “Een jonkie,” zeg ik. Alsof ik nooit ben weggeweest.
Het glaasje staat helder voor me. Ik hef het omhoog en zie in de weerspiegeling even de jongen die ik ooit was. En de man die ik werd in Maassluis. Twee levens, verbonden door tijd en toeval.
Ik neem een slok. De smaak is scherp en vertrouwd.
“Vaarwel Maassluis. Moge het je goed gaan,” mompel ik zacht, terwijl ik het glas iets hoger hef. “Hier in mijn geboortedorp zal ik tot mijn laatste adem genieten. Hier is mijn thuis.”
Er klinkt geen tromgeroffel. Niemand klapt. De stamgasten praten onverstoorbaar door. Maar in mij valt iets op zijn plek. Maassluis zal altijd in mij blijven. De haven, de wandelingen, de mensen. Maar hier, tussen weiland en kerktoren, tussen herinnering en werkelijkheid, heb ik mijn cirkel rondgemaakt.
Een mens kan meerdere huizen hebben in zijn leven, maar uiteindelijk is er maar één thuis.
Santjes!
Columnisten schrijven eigen visie op persoonlijke titel.
- De aard van de journalistieke vorm van columns is dat deze informatief, leerzaam. onderhoudend maar ook kritisch, humoristisch (parodie, ironisch, sarcastisch, satirisch) en prikkelend kunnen zijn binnen een maatschappelijke context.
- Waar de columnist dat zelf nodig acht, kunnen links in de tekst staan die naar achtergrondinformatie doorverwijzen
- Wat voor de één een leuke of rake column is, is voor een ander onzin, een belediging of niet acceptabel. Youp van ’t Hek die met alles en iedereen de vloer aanveegt in zijn columns in het NRC wordt niet door iedereen gewaardeerd. Hetzelfde geldt voor Theo Holman in Het Parool en diverse andere columnisten.
- Aan columnisten wordt door de Nederlandse rechter een grote mate van vrijheid toegekend in hun columns. Deze vrijheid kan zich ook uitstrekken tot teksten die, als ze buiten een column geschreven zouden zijn, als kwetsend of beledigend gekenmerkt worden.
voorliggende column is tot nu toe gelezen door: 629 lezers Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
Ontdek meer van MAASSLUIS.NU

2 Reacties
Dag heer Krook, ik heb erg genoten van uw columns over Maassluis. Ik zal ze missen, jammer dus. Maar het gaat u goed en gelukkig ook een kroeg in de buurt voor een klein glaasje. “Santjes” ik neem er ook een!.
Proost Krook. In stilte las ik telkens weer jou gedachtenspinsels, mooi verwoord in deze columns. Het ga je goed.
Ik bedenk me nu trouwens dat de wijzen uit het oosten kwamen!