
De winters van vroeger, jeetje wat verlang ik er soms naar. Het eerste wat je zag, waren de ijsbloemen op de ramen. Geen vage aanslag, maar kunstwerken. Bladeren, varens en stervormen die zich ’s nachts hadden gevormd op het enkele glas. Je moest met je nagel een klein kijkgaatje krabben om te zien of het echt zo koud was als het leek. En ja, daar lag het: een witte wereld, onaangeroerd, bijna plechtig. De kou hoorde erbij. Niemand klaagde. Koude voeten waren normaal, rode wangen ook. Handschoenen waren vaak te dun en wanten raakte je altijd kwijt, maar dat deed er niet toe. Je trok een extra trui aan, een sjaal die prikte en een jas die zwaar werd van de sneeuw. Warm was voor later, voor als je weer binnen was.
Ik herinner me dat ik – als het s `avonds begon te sneeuwen – elk half uur uit het raam keek om te controleren of het nog steeds sneeuwde… want hoe langer het bleef sneeuwen hoe dikker het pak in de ochtend.
’s Morgens kon ik niet wachten tot ik naar buiten mocht en mijn vriendinnetjes kon gaan ophalen om te spelen. Sneeuwgevechten met de buurkinderen, glijden over de verkeersdrempels in de Vertowijk achter de auto`s hangend. Van de heuvel af glijdend met de slee langs de Westlandseweg. Er werd flink gebouwd, sneeuwpoppen met scheve neuzen, forten tegen denkbeeldige vijanden. Auto’s reden voorzichtig, alsof ze wisten dat ze te gast waren in een kinderwereld.
Later toen ik al een stuk ouder was en op mezelf woonde, ging ik s `morgens vroeg aan de wandel met mijn camera. Als het nog sereen stil was buiten en de sneeuw nog onaangeroerd erbij lag. Prachtige plaatjes heb ik toen nog geschoten van de Ridderhof, de molens, vogeltjes die een beetje verdwaasd rond hupten alsof ze dachten “Wat is dit nu weer?”
En dan het ijs. Dat was echt een hoogtepunt. Dagenlang werd er gesproken over de vlieten. “Zou het al houden?” Vaders en opa’s gingen kijken, schopten met hun hakken op het ijs, knikten bedachtzaam. Nog een nachtje vorst, misschien twee. De spanning was tastbaar. Wanneer het zover was, hoefde niemand het te zeggen. Je wist het gewoon. Schaatsen uit het vet en gaan. De vlieten veranderden in ontmoetingsplaatsen. Iedereen was er, kinderen die net leerden schaatsen, moeders met dikke jassen, mannen die lange slagen maakten en richting Vlaardingen prachtige tochten gingen maken. Het ijs kraakte en zong. Een geluid dat je nu bijna nooit meer hoort. Soms een scheur, een doffe dreun, maar niemand schrok echt. Je kende het ijs, het hoorde bij je leven. Er was vertrouwen in de winter, elk jaar kwam het terug en het bracht plezier.
Warme chocolademelk kwam uit thermoskannen, koekjes uit jaszakken. Je adem maakte wolkjes, je wimpers werden wit. Tijd bestond even niet. Er was alleen het ritme van de schaatsen en het schrapende geluid van ijzers over ijs. S`avonds, als het donker werd, ging je naar huis. Natte sokken, stijve vingers. De kou zat in je botten. Binnen rook het naar soep of stamppot. De kachel stond hoog, want nu mocht het. Je hield je handen bij het warme metaal en voelde hoe het leven terugkeerde.
Nu kijken we naar winters door ramen zonder ijsbloemen. We hopen op sneeuw, maar plannen eromheen. Misschien komt het nog eens terug, zo’n winter die alles stilzet, misschien ook niet. Maar in ons geheugen ligt hij vast, helder en koud, met het geluid van krakend ijs en lachende stemmen op de vlieten. Soms, heel soms, voelt een ochtend nog even zo. Dan is er rijp op het gras en stilte in de straat. Dan herinner je je weer de winter van vroeger, die we al zolang niet meer hebben mogen meemaken.

Columnisten schrijven eigen visie op persoonlijke titel.
- De aard van de journalistieke vorm van columns is dat deze informatief, leerzaam. onderhoudend maar ook kritisch, humoristisch (parodie, ironisch, sarcastisch, satirisch) en prikkelend kunnen zijn binnen een maatschappelijke context.
- Waar de columnist dat zelf nodig acht, kunnen links in de tekst staan die naar achtergrondinformatie doorverwijzen
- Wat voor de één een leuke of rake column is, is voor een ander onzin, een belediging of niet acceptabel. Youp van ’t Hek die met alles en iedereen de vloer aanveegt in zijn columns in het NRC wordt niet door iedereen gewaardeerd. Hetzelfde geldt voor Theo Holman in Het Parool en diverse andere columnisten.
- Aan columnisten wordt door de Nederlandse rechter een grote mate van vrijheid toegekend in hun columns. Deze vrijheid kan zich ook uitstrekken tot teksten die, als ze buiten een column geschreven zouden zijn, als kwetsend of beledigend gekenmerkt worden.
voorliggende column is tot nu toe gelezen door: 177 lezers Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
Ontdek meer van MAASSLUIS.NU

2 Reacties
De lange zomers van vroeger……….
Daar kan de zelfde ervaring als kind hier neer zetten zonder de sneeuw, ijsbloemen en de extra trui natuurlijk.
Ook fijne kerstdagen.
”In mijn herinnering was de Kerst;
altijd wit half vorige eeuw,
ijs op vlieten en een pak sneeuw.”